Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2026:859 ECLI:NL:HR:2026:859 AI generated

ECLI:NL:HR:2026:859 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2026:859
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 23/02782 Datum 5 juni 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 23 mei 2023, nrs. 20/00715 tot en met 20/00720, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 18/712 tot en met HAA 18/717) betreffende een aan belanghebbende over het jaar 2010 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de aan belanghebbende voor dat jaar opgelegde aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente, de aan belanghebbende voor het jaar 2011 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente, de ten aanzien van belanghebbende voor de jaren 2012 en 2013 gegeven beschikkingen als bedoeld in artikel 3.151, lid 1, Wet IB 2001, en een ten aanzien van belanghebbende voor het jaar 2012 gegeven boetebeschikking. 1Geding in cassatie 1.1 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2026:859 · Hoge Raad: De klachten falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag tussen dezelfde partijen heeft uitgesproken in de zaak met nummer 23/02781, ECLI:NL:HR:2026:782. 3Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure 3.1 In deze zaak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld op 17 juli 2023. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met meer dan zes maanden maar minder dan twaalf maanden. 3.2 Belanghebbende heeft niet verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2026:782
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 23/02781 Datum 5 juni 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 23 mei 2023, nrs. 20/00712, 20/00713 en 20/00714, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 18/602, HAA 18/603 en HAA 18/604) betreffende aan belanghebbende over het jaar 2010, 2011 respectievelijk 2012 opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. 1Geding in cassatie 1.1 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
ECLI:NL:GHAMS:2023:1426
GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerken 20/00715 tot en met 20/00720 23 mei 2023 uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] , wonende te [Z] , belanghebbende, tegen de uitspraak van 26 oktober 2020 in de zaak met kenmerken HAA 18/712 tot en met HAA 18/717 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
ECLI:NL:HR:2003:AF7103
Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 21.455, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2023:1337
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 21/01543 Datum 29 september 2023 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 26 februari 2021, nr. 20/00388, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 19/7577) betreffende een aan belanghebbende over de periode 6 juli 2017 tot en met 5 juli 2018 opgelegde naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikking.
ECLI:NL:HR:2024:853
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 22/04592 Datum 14 juni 2024 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen 1.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 23/02782 Datum 5 juni 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 23 mei 2023, nrs. 20/00715 tot en met 20/00720, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 18/712 tot en met HAA 18/717) betreffende een aan belanghebbende over het jaar 2010 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de aan belanghebbende voor dat jaar opgelegde aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente, de aan belanghebbende voor het jaar 2011 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente, de ten aanzien van belanghebbende voor de jaren 2012 en 2013 gegeven beschikkingen als bedoeld in artikel 3.151, lid 1, Wet IB 2001, en een ten aanzien van belanghebbende voor het jaar 2012 gegeven boetebeschikking. 1Geding in cassatie 1.1 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.

Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. 1.2 Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. Dit stuk bevat stellingen die niet anders kunnen worden begrepen dan als nieuwe, buiten de daarvoor geldende termijn voorgestelde, gronden van het beroep in cassatie. De Hoge Raad gaat aan die stellingen voorbij.Na het verstrijken van de termijn voor het indienen van een conclusie van repliek heeft belanghebbende nog meer stukken ingediend.

Op die stukken slaat de Hoge Raad geen acht.

2Beoordeling van de klachten

De klachten falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag tussen dezelfde partijen heeft uitgesproken in de zaak met nummer 23/02781, ECLI:NL:HR:2026:782. 3Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure 3.1 In deze zaak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld op 17 juli 2023. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met meer dan zes maanden maar minder dan twaalf maanden. 3.2 Belanghebbende heeft niet verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure.

Wat betreft de bestreden belastingaanslagen en beschikkingen kent de Hoge Raad daarom geen vergoeding van immateriële schade toe. 3.3 Omdat de boete minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, wordt voor wat betreft de boete volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. 4Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 5Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en A.J. van Doesum, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.

ECLI:NL:GHAMS:2023:1426. Vgl. HR 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7103, rechtsoverweging 3.1. Vgl. HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1337, rechtsoverweging 5.2. Vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, rechtsoverweging 3.4.3.