Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2026:802 ECLI:NL:HR:2026:802 AI generated

ECLI:NL:HR:2026:802 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2026:802
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/02898 J Datum 26 mei 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 juli 2024, nummer 22-003647-22, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003, hierna: de verdachte.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6 lid 1 EVRM, artikel 437 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering; ECLI:NL:HR:2026:802 · Hoge Raad: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. 3.2 Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde jeugddetentie van 270 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. 4Beoordeling van de schriftuur die namens de benadeelde partij is ingediend Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad alleen cassatiemiddelen (klachten) als in de wet bedoeld.

Keywords

AI generated
artikel 6 lid 1 EVRM artikel 437 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering

Cited Legislation

AI generated
artikel 6 lid 1 EVRM
Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden.
artikel 437 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering
Dat geldt ook voor cassatiemiddelen als bedoeld in artikel 437 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/02898 J Datum 26 mei 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 juli 2024, nummer 22-003647-22, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003, hierna: de verdachte.

1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat S.W.M. Stevens bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. Namens de benadeelde partij [benadeelde] heeft de advocaat A.M. Wolf een schriftuur ingediend. De raadsvrouw van de verdachte heeft een verweerschrift ingediend. De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde jeugddetentie, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige. 2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld.

De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3Beoordeling van het tweede cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld 3.1 Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna:

EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. 3.2 Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde jeugddetentie van 270 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. 4Beoordeling van de schriftuur die namens de benadeelde partij is ingediend Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad alleen cassatiemiddelen (klachten) als in de wet bedoeld.

Dat geldt ook voor cassatiemiddelen als bedoeld in artikel 437 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering. Als zo’n cassatiemiddel kan alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over een rechtspunt betreffende haar vordering. De schriftuur voldoet niet aan dit vereiste, zodat deze onbesproken moet blijven. 5Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde jeugddetentie; - vermindert deze in die zin dat deze 256 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt; - verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2026.