Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2026:762 ECLI:NL:HR:2026:762 AI generated

ECLI:NL:HR:2026:762 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2026:762
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/03823 Datum 19 mei 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 september 2023, nummer 23-000284-23, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977, hierna: de verdachte.

Legislator headnote

AI generated

Artikel 432 van het Wetboek van Strafvordering, Artikel 432 Sv, artikel 432 lid 1 Sv, artikel 279 lid 1 Sv, artikel 432 lid 3 Sv; ECLI:NL:HR:2026:762 · Hoge Raad: Indien het onderzoek op de terechtzitting voor onbepaalde tijd is geschorst en de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting niet in persoon is gedaan of betekend, is de termijn bedoeld in het tweede lid van toepassing, tenzij de verdachte op de nadere terechtzitting is verschenen of zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was. Indien een van deze twee uitzonderingen zich voordoet, is de termijn genoemd in de aanhef van het eerste lid van toepassing.” 2.3 Artikel 432 Sv bepaalt binnen welke termijn beroep in cassatie moet worden ingesteld.

Keywords

AI generated
Artikel 432 van het Wetboek van Strafvordering Artikel 432 Sv artikel 432 lid 1 Sv artikel 279 lid 1 Sv artikel 432 lid 3 Sv

Cited Legislation

AI generated
Artikel 432 van het Wetboek van Strafvordering
2.2 Artikel 432 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luidt: “1.
Artikel 432 Sv
Indien een van deze twee uitzonderingen zich voordoet, is de termijn genoemd in de aanhef van het eerste lid van toepassing.” 2.3 Artikel 432 Sv bepaalt binnen welke termijn beroep in cassatie moet worden ingesteld.
artikel 432 lid 1 Sv
Die hoofdregel vindt toepassing als zich een van de omstandigheden voordoet die in artikel 432 lid 1 Sv worden genoemd.
artikel 279 lid 1 Sv
De termijn van veertien dagen na de einduitspraak geldt ook als op de terechtzitting een gemachtigde raadsman als bedoeld in artikel 279 lid 1 Sv is verschenen (vgl.
artikel 432 lid 3 Sv

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2003:AE9649
De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Maastricht van 20 augustus 1999 - de verdachte ter zake van "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III" en "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie" veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf met verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.
ECLI:NL:HR:2023:1363
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 21/03469 Datum 3 oktober 2023 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 2 juli 2021, nummer 22-001532-20, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996, hierna: de verdachte.
ECLI:NL:HR:2008:BC6232
De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Rechtbank, sector kanton te Breda, van 21 januari 2005 - de verdachte ter zake van "als bestuurder van een motorrijtuig daarmede op een weg rijden zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is gesloten en in stand gehouden" veroordeeld tot hechtenis voor de duur van vier weken, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden.
ECLI:NL:HR:2003:AG3022
De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 19 november 2001, voorzover aan het oordeel van het Hof onderworpen, - de verdachte ter zake van 1. "poging tot doodslag" en 2. "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III" en "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie" veroordeeld tot vier jaren gevangenisstraf.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/03823 Datum 19 mei 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 september 2023, nummer 23-000284-23, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977, hierna: de verdachte.

1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat H. Polat bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep. 2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep 2.1 De stukken houden onder meer het volgende in. - Op 22 mei 2023 heeft de raadsman van de verdachte een e-mail gestuurd aan de strafgriffie van het hof. Deze e-mail houdt onder meer in: “In opgemelde strafzaak is de (pro forma)rolzitting d.d. 24 (de Hoge Raad begrijpt:

23) mei 2023 om 11:30 uur. Langs deze weg bericht ik u dat cliënt, [verdachte] niet ter zitting aanwezig zal zijn. Helaas kan ik zelf ook niet ter zitting aanwezig zijn om u de redenen van hoger beroep in deze zaak mede te delen.” - De zaak is in hoger beroep voor de eerste maal behandeld op 23 mei 2023. Op die terechtzitting zijn de verdachte en zijn raadsman niet verschenen. Het onderzoek is vervolgens voor bepaalde tijd geschorst tot 12 september 2023. - Het onderzoek is hervat op de terechtzitting van 12 september 2023. De verdachte en zijn raadsman zijn daar niet verschenen.

Het arrest is op dezelfde dag uitgesproken. - Namens de verdachte is op 4 oktober 2023 beroep in cassatie ingesteld. 2.2 Artikel 432 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luidt: “1. Het beroep in cassatie moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien: a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend; b. de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen; c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was; d. de dagvaarding of oproeping binnen zes weken nadat door de verdachte hoger beroep is ingesteld, rechtsgeldig aan de verdachte is betekend met inachtneming van artikel 36g en in hoger beroep geen onvoorwaardelijke straf of maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming van langere duur meebrengt dan zes maanden.

2. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet cassatie worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het vonnis of arrest de verdachte bekend is.

3. Indien het onderzoek op de terechtzitting voor onbepaalde tijd is geschorst en de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting niet in persoon is gedaan of betekend, is de termijn bedoeld in het tweede lid van toepassing, tenzij de verdachte op de nadere terechtzitting is verschenen of zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was. Indien een van deze twee uitzonderingen zich voordoet, is de termijn genoemd in de aanhef van het eerste lid van toepassing.” 2.3 Artikel 432 Sv bepaalt binnen welke termijn beroep in cassatie moet worden ingesteld.

De hoofdregel is dat dit moet gebeuren binnen veertien dagen na de einduitspraak. Die hoofdregel vindt toepassing als zich een van de omstandigheden voordoet die in artikel 432 lid 1 Sv worden genoemd. De termijn van veertien dagen na de einduitspraak geldt ook als op de terechtzitting een gemachtigde raadsman als bedoeld in artikel 279 lid 1 Sv is verschenen (vgl. HR 11 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9649, rechtsoverweging 3.3 en HR 3 oktober ECLI:NL:HR:2023:1363, rechtsoverweging 2.3). 2.4.1 In het geval het onderzoek op de terechtzitting wordt geschorst, is daarnaast het volgende van belang. 2.4.2 Als zich een van de onder 2.3 bedoelde omstandigheden voordoet waarna het onderzoek op de terechtzitting, ongeacht of de verdachte en/of zijn raadsman op die zitting aanwezig waren, wordt geschorst voor bepaalde tijd, blijft gelden dat de termijn voor het instellen van beroep in cassatie loopt tot en met veertien dagen na de einduitspraak.

Dat is ook het geval als, na die schorsing voor bepaalde tijd, de verdachte en/of zijn raadsman niet op de nadere terechtzitting aanwezig zijn. (Vgl. HR 11 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6232 en HR 3 oktober ECLI:NL:HR:2023:1363, rechtsoverweging 2.3.) 2.4.3 Als zich een van de onder 2.3 bedoelde omstandigheden voordoet waarna het onderzoek op de terechtzitting, ongeacht of de verdachte en/of zijn raadsman op die zitting aanwezig waren, wordt geschorst voor onbepaalde tijd, geldt op grond van artikel 432 lid 3 Sv niet zonder meer dat de termijn voor het instellen van beroep in cassatie loopt tot en met veertien dagen na de einduitspraak.

Dat is slechts het geval als a) de verdachte bij de hervatting van het onderzoek op de nadere terechtzitting is verschenen, ofb) zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was, of c) bij de hervatting van het onderzoek op de terechtzitting een gemachtigde raadsman als bedoeld in artikel 279 lid 1 Sv is verschenen (vgl. HR 9 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AG3022, rechtsoverweging 3.9.2 en HR 3 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1363, rechtsoverweging 2.3). 2.5 Uit wat hiervoor onder 2.1 is weergegeven blijkt dat op de terechtzitting van 23 mei 2023 de verdachte en zijn raadsman niet aanwezig waren.

Gelet op de inhoud van de e-mail die de raadsman van de verdachte de dag voor die terechtzitting aan de strafgriffie van het hof heeft verzonden, moet het er in cassatie voor worden gehouden dat de verdachte tevoren met de dag van die terechtzitting bekend was. Op 23 mei 2023 is het onderzoek op de terechtzitting voor bepaalde tijd geschorst tot 12 september 2023. Het onderzoek is hervat op de terechtzitting van 12 september 2023 en op die dag is ook het arrest uitgesproken. Dit brengt mee dat het cassatieberoep had moeten worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak van het hof van 12 september 2023.

Het beroep is ingesteld op 4 oktober 2023. Om die reden kan de Hoge Raad het cassatieberoep van de verdachte niet in behandeling nemen. 3Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 mei 2026.