Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2026:761 ECLI:NL:HR:2026:761 AI generated

ECLI:NL:HR:2026:761 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2026:761
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/03616 Datum 19 mei 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 september 2024, nummer 23-002637-21, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, hierna: de verdachte.

Legislator headnote

AI generated

artikel 452 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering; ECLI:NL:HR:2026:761 · Hoge Raad: De raadsman is in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen, maar daarvan is pas na het verstrijken van de daarvoor geboden termijn gebruik gemaakt. 2.3 De verdachte heeft dus niet op de voorgeschreven manier bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur met cassatiemiddelen doen indienen (zie artikel 452 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering). Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de verdachte niet in behandeling kan nemen. 3Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J.

Keywords

AI generated
artikel 452 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering

Cited Legislation

AI generated
artikel 452 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering
2.3 De verdachte heeft dus niet op de voorgeschreven manier bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur met cassatiemiddelen doen indienen (zie artikel 452 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering).

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/03616 Datum 19 mei 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 september 2024, nummer 23-002637-21, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, hierna: de verdachte.

1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat R.A. Bruinsma bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep. 2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep 2.1 Artikel 4.3.3.4 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden luidt: “De schriftuur van een advocaat dient de verklaring te bevatten dat hij tot de indiening bepaaldelijk is gevolmachtigd door degene namens wie hij optreedt. Bij verzuim de hiervoor bedoelde verklaring af te leggen, stelt de rolraadsheer de advocaat in de gelegenheid tot het alsnog afleggen van die verklaring binnen een daartoe te stellen termijn.” 2.2 De schriftuur bevat niet de verklaring van de raadsman dat hij tot de indiening bepaaldelijk is gevolmachtigd door de verdachte.

De raadsman is in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen, maar daarvan is pas na het verstrijken van de daarvoor geboden termijn gebruik gemaakt. 2.3 De verdachte heeft dus niet op de voorgeschreven manier bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur met cassatiemiddelen doen indienen (zie artikel 452 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering). Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de verdachte niet in behandeling kan nemen. 3Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J.

Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 mei 2026.