Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2026:75 ECLI:NL:HR:2026:75 AI generated

ECLI:NL:HR:2026:75 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2026:75
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/03030 Datum 20 januari 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 2 augustus 2024, nummer 20-001886-22, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, hierna: de verdachte.

Legislator headnote

AI generated

artikel 435 van het Wetboek van Strafvordering, artikel 6 lid 1 EVRM; ECLI:NL:HR:2026:75 · Hoge Raad: Beoordeling van het tweede cassatiemiddel van de verdachte en ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof 2.1 Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. 2.2 Onder overschrijding van de redelijke termijn is mede begrepen de overschrijding van de termijn voor het inzenden van de stukken naar de Hoge Raad nadat cassatieberoep is ingesteld.

Keywords

AI generated
artikel 435 van het Wetboek van Strafvordering artikel 6 lid 1 EVRM

Cited Legislation

AI generated
artikel 435 van het Wetboek van Strafvordering
2.4 Wat betreft de duur van de cassatieprocedure is van belang de datum waarop de aanzegging door de Hoge Raad als bedoeld in artikel 435 van het Wetboek van Strafvordering aan de verdachte is betekend.
artikel 6 lid 1 EVRM
Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden.

Cited Case Law

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/03030 Datum 20 januari 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 2 augustus 2024, nummer 20-001886-22, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, hierna: de verdachte.

1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. Namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2], vertegenwoordigd door [betrokkene 1], heeft de advocaat R. van den Berg bij schrifturen cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. De advocaat van de benadeelde partijen heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel van de verdachte en ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof 2.1 Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. 2.2 Onder overschrijding van de redelijke termijn is mede begrepen de overschrijding van de termijn voor het inzenden van de stukken naar de Hoge Raad nadat cassatieberoep is ingesteld.

Die inzendtermijn is gesteld op acht maanden. De inzendtermijn wordt op zes maanden gesteld in (onder meer) zaken waarin de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert. (Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rechtsoverweging 3.3.) Voor de vraag of de verdachte in voorlopige hechtenis verkeert, is beslissend de datum waarop het cassatieberoep is ingesteld. 2.3 De verdachte bevond zich ten tijde van het instellen van het cassatieberoep niet in voorlopige hechtenis. Omdat op de dag van inzending van de stukken nog geen acht maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, is het cassatiemiddel tevergeefs voorgesteld. 2.4 Wat betreft de duur van de cassatieprocedure is van belang de datum waarop de aanzegging door de Hoge Raad als bedoeld in artikel 435 van het Wetboek van Strafvordering aan de verdachte is betekend.

Op die datum bevond de verdachte zich op grond van de door het hof bevolen gevangenneming wel in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 54 maanden. 2.5 Opmerking verdient dat, vanwege de uiteenlopende aard van de betreffende procedures, voor de beoordeling van de redelijke termijn in feitelijke instantie enigszins andere uitgangspunten gelden dan voor de beoordeling van de redelijke termijn in de cassatieprocedure.

De uitgangspunten die van belang zijn met betrekking tot de procedure in feitelijke instantie, zijn uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 25 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1775.

3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen die namens de verdachte en van de cassatiemiddelen die namens de benadeelde partijen zijn voorgesteld De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 4Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf; - vermindert deze in die zin dat deze 53 maanden beloopt; - verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 januari 2026.