Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2026:733 ECLI:NL:HR:2026:733 AI generated

ECLI:NL:HR:2026:733 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2026:733
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/03521 Datum 1 mei 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 september 2024, nr. BRE 23/9564, betreffende een verzoek van belanghebbende om toekenning van een dwangsom wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar tegen een dwangsombesluit.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2026:733 · Hoge Raad: De Inspecteur heeft daarna alsnog uitspraak gedaan op het bezwaar. Hij heeft daarbij het bezwaar gegrond verklaard en alsnog een dwangsom vastgesteld wegens niet-tijdig beslissen op het hiervoor in 2.1 vermelde verzoek om ambtshalve vermindering. Bovendien heeft de Inspecteur daarbij beslist dat hij geen dwangsom aan belanghebbende toekent wegens niet-tijdig beslissen op het bezwaar. 2.3 Tegen dat laatste besluit heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat het eerste dwangsombesluit geen beschikking op aanvraag is in de zin van artikel 4:17, lid 1, Awb, zodat de Inspecteur niet een dwangsom kan verbeuren wegens het niet-tijdig nemen ervan.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBZWB:2024:6271
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 23/9564 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2024 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. T.G. van Laarhoven), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de beslissing van de inspecteur van 17 juli 2023. 1.1. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de beslissing van de inspecteur van 17 juli 2023 en heeft daarbij de inspecteur verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de rechter.
ECLI:NL:RVS:2014:4448
201400947/1/A3. Datum uitspraak: 10 december 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 17 januari 2014 in zaak nr. 13/200 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 4 september 2012 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat hij geen dwangsom heeft verbeurd wegens het niet tijdig nemen van een besluit op een door [appellant] ingediend verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna:
ECLI:NL:CRVB:2017:1815
16/4095 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 9 mei 2016, 16/53 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris) Datum uitspraak: 4 mei 2017 PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Namens de staatssecretaris heeft mr. G.B. Honders, advocaat, een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2017. Appellante is verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.
ECLI:NL:CRVB:2019:307
16/7705 PW e.v. (zie bijlage) Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 4 november 2016, 15/1837, 15/2389, 15/4343, 15/4744, 15/4904, 15/4983, 15/5996, 15/7948, 15/8380, 16/523, 16/2290, 16/2509, 16/2639 (aangevallen uitspraak 1), van 4 november 2016, 15/1937 (aangevallen uitspraak 2), van 9 maart 2017, 16/5727 (aangevallen uitspraak 3), van 7 juni 2017, 17/1352 (aangevallen uitspraak 4), en van 24 juli 2017, 17/39 (aangevallen uitspraak 5), en uitspraak op de verzoeken om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Hellevoetsluis (college) Datum uitspraak: 22 januari 2019 PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroepen ingesteld en verzoeken ingediend het college te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente.
ECLI:NL:HR:2024:906
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 22/02323 Datum 21 juni 2024 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen 1.
ECLI:NL:HR:2023:134
Procesverloop Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar het vonnis in de zaak 8983950 \ CV EXPL 21-316 van de kantonrechter te Roermond van 4 mei 2021.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/03521 Datum 1 mei 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 september 2024, nr. BRE 23/9564, betreffende een verzoek van belanghebbende om toekenning van een dwangsom wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar tegen een dwangsombesluit.

1Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door T.G. van Laarhoven, heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. 2Uitgangspunten in cassatie 2.1 Belanghebbende heeft bij de Inspecteur een verzoek ingediend om ambtshalve vermindering van de aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 2020.

Omdat niet tijdig op dat verzoek werd beslist, heeft belanghebbende de Inspecteur in gebreke gesteld. Toen na afloop van de daarbij gestelde termijn nog niet was beslist, heeft belanghebbende de Inspecteur verzocht om de verbeurde dwangsom bij beschikking vast te stellen. Daarop heeft de Inspecteur bij beschikking vastgesteld dat geen dwangsom is verbeurd (hierna: het eerste dwangsombesluit). Tegen deze beschikking heeft belanghebbende bezwaar gemaakt (hierna: het bezwaar). 2.2 Belanghebbende heeft de Inspecteur in gebreke gesteld omdat deze niet tijdig had beslist op het bezwaar.

De Inspecteur heeft daarna alsnog uitspraak gedaan op het bezwaar. Hij heeft daarbij het bezwaar gegrond verklaard en alsnog een dwangsom vastgesteld wegens niet-tijdig beslissen op het hiervoor in 2.1 vermelde verzoek om ambtshalve vermindering. Bovendien heeft de Inspecteur daarbij beslist dat hij geen dwangsom aan belanghebbende toekent wegens niet-tijdig beslissen op het bezwaar. 2.3 Tegen dat laatste besluit heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat het eerste dwangsombesluit geen beschikking op aanvraag is in de zin van artikel 4:17, lid 1, Awb, zodat de Inspecteur niet een dwangsom kan verbeuren wegens het niet-tijdig nemen ervan.

Volgens de Rechtbank moet in lijn daarmee worden geoordeeld dat de Inspecteur ook geen dwangsom verbeurt bij het niet-tijdig nemen van een besluit op bezwaar tegen een dwangsombesluit. De Rechtbank wijst erop dat dit vaste rechtspraak is van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State en de Centrale Raad van Beroep, en ziet geen aanleiding daarvan af te wijken.

3Beoordeling van het middel

Het middel richt zich tegen het oordeel van de Rechtbank dat de Inspecteur geen dwangsom verbeurt bij het niet-tijdig nemen van een besluit op het bezwaar tegen een dwangsombesluit. Het middel faalt, aangezien dat oordeel juist is. In de wettelijke regeling over de dwangsom bij niet-tijdig beslissen in paragraaf 4.1.3.2 van de Awb ligt besloten dat een bestuursorgaan geen dwangsom kan verbeuren wegens het niet-tijdig vaststellen van een beschikking over de verschuldigdheid en de hoogte van een door hem verbeurde dwangsom. Aldus voorkomt de wettelijke regeling een zogenoemde stapeling van dwangsommen.

In lijn daarmee moet worden aangenomen dat evenmin een dwangsom wordt verbeurd, en dus evenmin een stapeling van dwangsommen kan optreden, indien niet tijdig wordt beslist op het bezwaar tegen (het uitblijven van) een dwangsombesluit. Het middel voert weliswaar terecht aan dat een uitspraak op bezwaar een besluit op aanvraag is, ook indien het bezwaar is gericht tegen een dwangsombesluit, maar in zoverre bestaat aanleiding een uitzondering aan te nemen op de regel dat de dwangsomregeling in paragraaf 4.1.3.2 van de Awb van toepassing is op iedere beschikking op een aanvraag in de zin van artikel 1:3, lid 3, Awb. 4Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 5Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026. ECLI:NL:RBZWB:2024:6271. ABRvS 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4448, rechtsoverweging 4.1, CRvB 4 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1815, rechtsoverweging 4.2.6, en CRvB 22 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:307, rechtsoverweging 4.24. Vgl. HR 21 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:906, rechtsoverweging 2.4.3. Zie HR 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:134, rechtsoverweging 3.2.3.