ECLI:NL:HR:2026:708 · Hoge Raad
Legislator summary
AI generatedHOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/01948 Datum 21 april 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 7 mei 2024, nummer 23-000217-24, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995, hierna: de verdachte.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:HR:2026:708 · Hoge Raad: HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/01948 Datum 21 april 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 7 mei 2024, nummer 23-000217-24, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995, hierna: de verdachte.
Full text
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/01948 Datum 21 april 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 7 mei 2024, nummer 23-000217-24, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995, hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat D.W.H.M. Wolters bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal P.T.C. van Kampen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan. 2Beoordeling van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van het hof dat het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingesteld. 2.2.
Het cassatiemiddel slaagt in zoverre. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal. 2.3 Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig. 3Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof; - wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2026.