Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2026:677 ECLI:NL:HR:2026:677 AI generated

ECLI:NL:HR:2026:677 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2026:677
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 25/00089 Datum 17 april 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 3 december 2024, nr. SGR 23/8208 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 12 april 2024. De uitspraak van de Rechtbank op het verzet is aan dit arrest gehecht.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 Awb; ECLI:NL:HR:2026:677 · Hoge Raad: Door zonder hierover iets vast te stellen te oordelen dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de naheffingsaanslag voor of op 13 april 2023 is verzonden, heeft de Rechtbank hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij haar oordeel onvoldoende gemotiveerd. 3.3 Middel II faalt. In rechtsoverwegingen 2.5.3 en 2.5.4 van het arrest van 18 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:966, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat en waarom geen redelijke twijfel kan bestaan over de verenigbaarheid van het bepaalde in de artikelen 8:54 en 8:55 Awb met het Unierecht.

Keywords

AI generated
artikel 8:54 Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 Awb
2.2.1 Bij uitspraak van 12 april 2024 heeft de Rechtbank met toepassing van artikel 8:54 Awb het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2021:966
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 20/03667 Datum 18 juni 2021 ARREST in de zaak van [X] B.V.
ECLI:NL:HR:2025:46
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/00575 Datum 17 januari 2025 ARREST in de zaak van [X] B.V.
ECLI:NL:HR:2024:59
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 22/04391 Datum 19 januari 2024 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE DELFT op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 7 oktober 2022, nr. SGR 21/8299 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 24 juni 2022 (nr. SGR 21/8299) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Delft. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2022:875
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 20/02700 Datum 17 juni 2022 ARREST in de zaak van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 22 juli 2020, nr. SGR 19/4546 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 15 januari 2020 betreffende een aan belanghebbende over de periode 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente. De uitspraak van de Rechtbank op het verzet is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2019:363
15 maart 2019 Nr. 17/05607 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 17 oktober 2017, nrs. AWB 16/7406 tot en met AWB 16/7408, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 5 april 2017, nrs. AWB 16/7406 tot en met AWB 16/7408. De uitspraak van de Rechtbank op het verzet is aan dit arrest gehecht.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 25/00089 Datum 17 april 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 3 december 2024, nr. SGR 23/8208 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 12 april 2024. De uitspraak van de Rechtbank op het verzet is aan dit arrest gehecht.

1Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. 2Uitgangspunten in cassatie 2.1 Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen met dagtekening 13 april 2023 opgelegd. Het daartegen gerichte bezwaarschrift van belanghebbende is op 20 juni 2023 door de Inspecteur ontvangen.

Bij uitspraak van 8 november 2023 heeft de Inspecteur dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend. 2.2.1 Bij uitspraak van 12 april 2024 heeft de Rechtbank met toepassing van artikel 8:54 Awb het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen. 2.2.2 Volgens de Rechtbank bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending van de naheffingsaanslag later dan 13 april 2023, de dagtekening ervan, heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde dus op 25 mei 2023.

Aangezien het bezwaarschrift door de Inspecteur is ontvangen op 20 juni 2023, is het bezwaarschrift niet tijdig ingediend. 2.2.3 Niet is in geschil, aldus de Rechtbank, dat belanghebbende ten tijde van de dagtekening van de naheffingsaanslag woonde op het adres waar de naheffingsaanslag naartoe is gestuurd. Belanghebbende heeft het aanslagbiljet ontvangen maar hij stelt met vertraging kennis te hebben genomen van de naheffingsaanslag of van het feit dat een naheffingsaanslag is opgelegd, waardoor hij pas na het verstrijken van de bezwaartermijn een bezwaarschrift heeft kunnen indienen.

Onder deze omstandigheden kan het bezwaar slechts ontvankelijk zijn als blijkt dat de termijnoverschrijding verontschuldigbaar is, aldus de Rechtbank. 2.2.4 De Rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar maken. 2.3 Bij de in cassatie bestreden uitspraak heeft de Rechtbank het tegen de hiervoor in 2.2.1 vermelde uitspraak gedane verzet ongegrond verklaard. Die beslissing berust op onder meer de volgende oordelen: "4. Uit wat [belanghebbende] heeft aangevoerd, volgt niet dat de rechtbank in de buitenzittinguitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat zij het beroep zonder zitting kon afdoen.

De rechtbank was niet genoodzaakt om onderzoek te doen naar de (tijdige) verzending van de naheffingsaanslag. Immers, [belanghebbende] betwist niet dat de naheffingsaanslag door [de Inspecteur] is verzonden. [Belanghebbende] heeft gesteld dat hij de naheffingsaanslag heeft gekregen van een buurman, nadat hij navraag had gedaan bij die buurman. [Belanghebbende] heeft daarbij gesteld dat de naheffingsaanslag door de postbode in de brievenbus van de buurman is bezorgd, dat de buren de aanslag niet direct aan hem hebben gegeven (…). De rechtbank acht het aannemelijk dat [de Inspecteur] de naheffingsaanslag voor of op 13 april 2023 heeft verzonden.

De enkele stelling van [belanghebbende] dat de naheffingsaanslag mogelijk later is verzonden, maakt voorgaande niet anders, over de datum waarop de naheffingsaanslag zou zijn bezorgd heeft [belanghebbende] niets gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt." 3Beoordeling van de middelen 3.1 Middel I bestrijdt onder meer het oordeel van de Rechtbank dat aannemelijk is dat de Inspecteur de naheffingsaanslag per post heeft verzonden voor of op 13 april 2023. 3.2 Middel I slaagt in zoverre. In het geval dat de belanghebbende stelt dat hij een door verzending per post bekendgemaakte naheffingsaanslag pas na afloop van de bezwaartermijn heeft ontvangen en met het oog op het vaststellen van de aanvang van de bezwaartermijn (artikelen 6:8 en 6:9 Awb) betwist dat het aanslagbiljet voor of op de datum van dagtekening ervan ter post is bezorgd, rust op de inspecteur de last aannemelijk te maken aan welk postvervoerbedrijf het desbetreffende poststuk is aangeboden en wanneer.

Door zonder hierover iets vast te stellen te oordelen dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de naheffingsaanslag voor of op 13 april 2023 is verzonden, heeft de Rechtbank hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij haar oordeel onvoldoende gemotiveerd. 3.3 Middel II faalt. In rechtsoverwegingen 2.5.3 en 2.5.4 van het arrest van 18 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:966, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat en waarom geen redelijke twijfel kan bestaan over de verenigbaarheid van het bepaalde in de artikelen 8:54 en 8:55 Awb met het Unierecht.

In hetgeen middel II aanvoert, ziet de Hoge Raad geen aanleiding om een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie voor te leggen. 3.4.1 Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen, kan de uitspraak van de Rechtbank op het verzet niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. Met het oog op de behandeling van het verzet is het volgende van belang. 3.4.2 Tijdens de beroepsprocedure heeft belanghebbende de Inspecteur gevraagd om een verzendbewijs van de naheffingsaanslag. In zijn verweerschrift bij de Rechtbank heeft de Inspecteur in antwoord daarop vermeld dat hij niet een verzendbewijs over kan leggen omdat van de verzending van naheffingsaanslagen geen registratie wordt bijgehouden.

De Inspecteur heeft ook geen ander bewijs van het moment van verzending overgelegd. Dit betekent dat de Inspecteur niet is geslaagd in het van hem verlangde bewijs wanneer en aan welk postbedrijf de naheffingsaanslag ter verzending is aangeboden. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat de naheffingsaanslag niet voor of op 13 april 2023 is bekendgemaakt. De bezwaartermijn van zes weken vangt dan pas aan op de dag waarop belanghebbende de naheffingsaanslag onder ogen heeft gekregen. 4Proceskosten De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Met betrekking tot de hoogte van deze vergoeding overweegt de Hoge Raad hierna in onderdeel 5. Over de kosten van het verzet bij de Rechtbank dient de verwijzingsrechtbank te beslissen, bij voorkeur bij de uitspraak op het verzet.

5Nader feitenonderzoek door de

Hoge Raad 5.1 Aangezien de uitspraak van de Rechtbank op het verzet is bekendgemaakt in 2024, moet voor de hoogte van de vergoeding van proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure acht worden geslagen op de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, gelet op het bepaalde in artikel IV van die wet. Gelet op hetgeen de Hoge Raad in onderdeel 3 van zijn arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (hierna: het arrest van 17 januari 2025), heeft overwogen, moet worden beoordeeld of het geval van belanghebbende met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025. 5.2 De Hoge Raad is in dit stadium van het geding niet in staat een beslissing te nemen over de hoogte van de vergoeding van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in deze cassatieprocedure.

De stukken van het geding bieden namelijk onvoldoende aanknopingspunten om de hiervoor in 5.1 bedoelde beoordeling te maken. 5.3 Aangezien het arrest van 17 januari 2025 is gewezen nadat belanghebbende beroep in cassatie had ingesteld, hoefde belanghebbende niet bedacht te zijn op de in de rechtsoverwegingen 3.5.1 en 3.5.2 van dat arrest geformuleerde regels. Daarom zal de Hoge Raad, die hier als feitenrechter optreedt, alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure, belanghebbende in de gelegenheid stellen om nadere gegevens te verstrekken ter voldoening aan de op dit punt op belanghebbende rustende bewijslast.

De Staat zal daarna in de gelegenheid worden gesteld daarop schriftelijk te reageren. 6Beslissing De Hoge Raad houdt elke verdere beslissing aan totdat de hiervoor in 5.3 beschreven procedure is gevolgd. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026. Vgl. HR 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:59, rechtsoverweging 3.2. Vgl. HR 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:875, rechtsoverweging 2.7.2.

Vgl. HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:363, rechtsoverwegingen 2.3.2 en 2.3.3. Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.