ECLI:NL:HR:2026:659 · Hoge Raad
Legislator summary
AI generatedHOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/03975 Datum 21 april 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 22 oktober 2024, nummer 23-000708-23, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989, hierna: de verdachte.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:HR:2026:659 · Hoge Raad: De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 4Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien, T. Kooijmans, F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2026.
Cited Case Law
AI generatedFull text
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/03975 Datum 21 april 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 22 oktober 2024, nummer 23-000708-23, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989, hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat L.E.G. van der Hut bij schriftuur en bij aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd. 2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de bedenkingen van de verdachte met betrekking tot de openbare scholen op redelijke afstand van de woning onvoldoende concreet en onvoldoende zwaarwegend zijn en dat daarom de verdachte geen beroep toekomt op de vrijstelling als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969. 2.2 Het cassatiemiddel faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 24/03974, ECLI:NL:HR:2026:658.
3Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 4Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien, T. Kooijmans, F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2026.