Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2026:655 ECLI:NL:HR:2026:655 AI generated

ECLI:NL:HR:2026:655 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2026:655
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 25/00561 H Datum 14 april 2026 ARREST op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 1 augustus 2017, nummer 18-950041-15, ingediend door de advocaten N. van Schaik en H. Brentjes, namens [aanvrager] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, hierna: de aanvrager.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2026:655 · Hoge Raad: In de aanvraag wordt daartoe in de kern aangevoerd dat sprake is van het ernstige vermoeden dat de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou hebben verklaard in de vervolging van de aanvrager – zoals het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden deed in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] die is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2024:7367 – als de rechtbank bekend was geweest met de eerst bij de behandeling van die zaak in hoger beroep bekend geworden informatie over de vormverzuimen in verband met de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 2] . 3De conclusie van de advocaat-generaal 3.1 De advocaat-generaal D.J.C.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHARL:2024:7367
hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 september 2014 tot en met 18 september 2015 te [plaats] en/of [plaats] , en/of elders in Nederland en/of in België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) om een feit als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens) - een of meer ander heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of - zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en), immers heeft/is hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (telkens) - afspraken gemaakt en/of ontmoetingen gehad en/of (al dan niet in versluierd taalgebruik) telefoongesprekken en/of besprekingen en/of onderhandelingen gevoerd met en/of inlichtingen en/of aanwijzingen en/of opdrachten gegeven aan zijn mededader(s) en/of een of meer anderen, om die cocaïne, althans dat/die middel(en), te kopen en/of in ontvangst te nemen en/of betreffende de wijze waarop die cocaïne en/of die amfetamine, althans dat/die middel(en), zou(den) worden gekocht en/of geleverd en/of afgenomen en/of (naar Nederland) zou(den) worden vervoerd en/of verder vervoerd (een en ander heeft betrekking op: - ( ZD 1), 22 kilo, althans een grote hoeveelheid, cocaïne en/of - ( ZD 2), 66 kilo, althans een grote hoeveelheid, cocaïne en/of 2. hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 november 2014 tot en met 30 april 2015, in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (vanuit de Dominicaanse Republiek en/of vanuit België) binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht in de zin van artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een grote hoeveelheid cocaïne, te weten een partij van ongeveer 22 kilo en/of een partij van ongeveer 66 kilo, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
ECLI:NL:HR:2026:562
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 25/00562 H Datum 14 april 2026 ARREST op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 1 augustus 2017, nummer 18-930249-15, ingediend door de advocaten N. van Schaik en H. Brentjes, namens [aanvraagster] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992, hierna: de aanvraagster.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 25/00561 H Datum 14 april 2026 ARREST op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 1 augustus 2017, nummer 18-950041-15, ingediend door de advocaten N. van Schaik en H. Brentjes, namens [aanvrager] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, hierna: de aanvrager.

1De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De rechtbank heeft de aanvrager veroordeeld voor ‘medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voorbereiden, meermalen gepleegd’, ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’, ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’, ‘als oprichter en leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en/of vijfde lid en/of artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet’, ‘als oprichter en leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven’, ‘gewoontewitwassen’, ‘medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, en artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en de feiten begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en/of een vuurwapen van categorie II, meermalen gepleegd’ en ‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III’ tot een gevangenisstraf van acht jaren. 2De aanvraag tot herziening 2.1 De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 2.2 De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering.

In de aanvraag wordt daartoe in de kern aangevoerd dat sprake is van het ernstige vermoeden dat de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou hebben verklaard in de vervolging van de aanvrager – zoals het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden deed in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] die is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2024:7367 – als de rechtbank bekend was geweest met de eerst bij de behandeling van die zaak in hoger beroep bekend geworden informatie over de vormverzuimen in verband met de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 2] . 3De conclusie van de advocaat-generaal 3.1 De advocaat-generaal D.J.C.

Aben heeft geconcludeerd tot afwijzing van de aanvraag tot herziening en heeft voor de redenen daarvoor verwezen naar zijn conclusie in de zaak van de voormalige medeverdachte van de aanvrager op grond van een identiek herzieningsverzoek in de zaak met nummer 25/00562 H. 3.2 De raadslieden van de aanvrager hebben daarop schriftelijk gereageerd en daarbij verwezen naar hun schriftelijke reactie op de conclusie van de advocaat-generaal in de zaak met nummer 25/00562 H.

4Beoordeling van de aanvraag

De aanvraag is ongegrond. De redenen daarvoor staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 25/00562 H, ECLI:NL:HR:2026:562. 5Beslissing De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2026.