Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2026:652 ECLI:NL:HR:2026:652 AI generated

ECLI:NL:HR:2026:652 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2026:652
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 25/02097 H Datum 14 april 2026 ARREST op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 9 oktober 2023, nummer 20-000658-22, ingediend door de advocaat Th. Boumans, namens [aanvraagster] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986, hierna: de aanvraagster.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2026:652 · Hoge Raad: Het hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 14 maart 2022 – de aanvraagster veroordeeld voor witwassen tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken en een taakstraf van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 25/02097 H Datum 14 april 2026 ARREST op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 9 oktober 2023, nummer 20-000658-22, ingediend door de advocaat Th. Boumans, namens [aanvraagster] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986, hierna: de aanvraagster.

1De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 14 maart 2022 – de aanvraagster veroordeeld voor witwassen tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken en een taakstraf van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis.

2De aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 3Beoordeling van de aanvraag 3.1 Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, volgens artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering alleen dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat, als dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling. 3.2.1 In de aanvraag wordt aangevoerd dat het hof de aanvraagster zou hebben vrijgesproken van witwassen van een bedrag van € 10.000 als het bekend zou zijn geweest met de uitkomsten van het financiële onderzoek door de politie naar de aanvraagster in het kader van een andere witwaszaak.

Uit dat onderzoek volgt volgens de aanvraag dat de aanvraagster na het bewezenverklaarde feit (op of omstreeks 30 oktober 2020) over grote hoeveelheden contant geld kon beschikken die kunnen worden verklaard uit legale inkomsten. 3.2.2 Het hof is uitgegaan van een vermoeden van witwassen dat niet is ontzenuwd, omdat het hof hoogst onwaarschijnlijk achtte dat de aanvraagster, zoals zij heeft verklaard, ten tijde van het bewezenverklaarde feit op 30 oktober 2020 heeft kunnen beschikken over een contant geldbedrag van € 10.000 dat afkomstig was uit de inkomsten van haar bedrijf ‘[A]’, dan wel uit de schadevergoeding die in 2018 aan haar partner is uitgekeerd na een verkeersongeval.

De aanvraag wijst slechts in algemene bewoordingen en zonder concrete financiële onderbouwing op andere bronnen van inkomsten waaruit het bedrag van € 10.000 mogelijk verklaard kan worden. Daarmee wekt de aanvraag niet een ernstig vermoeden als hiervoor onder 3.1 vermeld. 3.3 De aanvraag is, gelet op wat hiervoor is overwogen, kennelijk ongegrond. 4Beslissing De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2026.