Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2026:599 ECLI:NL:HR:2026:599 AI generated

ECLI:NL:HR:2026:599 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2026:599
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 25/01559 Datum 10 april 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 maart 2025, nrs. BK-ARN 23/1490 tot en met 23/1493, op het hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, (nrs. BRE 17/5075, 16/3534, 16/3535 en 17/5073) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking tot aansprakelijkstelling voor van [A] B.V. nageheven loonheffingen over de periode 1 januari 2011 tot en met 31 december 2013, voor de daarbij voor de naheffing over het jaar 2013 opgelegde boete en voor de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente respectievelijk belastingrente, en betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking tot aansprakelijkstelling voor van [A] B.V. nageheven loonheffingen over de periode oktober 2013 tot en met februari 2014 en voor de daarbij opgelegde boetes. 1Het eerste geding in cassatie 1.1 Bij arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:181, is vernietigd de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 31 december 2020, nr. 19/00161, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest. 1.2 Bij arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:182, is vernietigd de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 31 december 2020, nrs. 19/00162 tot en met 19/00164, met verwijzing van het geding naar het Hof ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2026:599 · Hoge Raad: Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.C.J. Schoenmakers, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend en heeft schriftelijk zijn zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2023:181
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 21/00524 Datum 10 februari 2023 ARREST in de zaak van [X] te [Z] , België, (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 31 december 2020, nr. 19/00161, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 17/5075) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking tot aansprakelijkstelling voor van [A] B.V. nageheven loonheffingen over de periode oktober 2013 tot en met februari 2014 en voor de daarbij opgelegde boetes.
ECLI:NL:HR:2023:182
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 21/00525 Datum 10 februari 2023 ARREST in de zaak van [X] te [Z] , België, (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 31 december 2020, nrs. 19/00162 tot en met 19/00164, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 16/3534, BRE 16/3535 en BRE 17/5073) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking tot aansprakelijkstelling voor van [A] B.V. nageheven loonheffingen over de periode 1 januari 2011 tot en met 31 december 2013, voor de daarbij voor de naheffing over het jaar 2013 opgelegde boete en voor de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente respectievelijk belastingrente.
ECLI:NL:GHARL:2025:1600
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummers BK-ARN 23/1490 t/m 23/1493 uitspraakdatum: 18 maart 2025 Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer op de hoger beroepen van [belanghebbende] te [woonplaats] (België) (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 13 februari 2019 met nummers BRE 17/5075, ECLI:NL:RBZWB:2019:1062, respectievelijk 16/3534, 16/3535 en 17/5073, ECLI:NL:RBZWB:2019:1061 in de gedingen tussen belanghebbende en de ontvanger van de Belastingdienst (hierna: de Ontvanger) 1Ontstaan en loop van het geding 1.1.
ECLI:NL:GHSHE:2020:4048
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 19/00161 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] (België), hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 13 februari 2019, nummer BRE 17/5075, in het geding tussen belanghebbende en de ontvanger van de Belastingdienst, hierna: de ontvanger. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De ontvanger heeft belanghebbende bij beschikking als bestuurder van [A BV] (hierna: [A BV] ) aansprakelijkheid gesteld voor onbetaald gebleven naheffingsaanslagen loonheffingen over de tijdvakken 10-2013 tot en met 02-2014 en de daarbij opgelegde boetes. 1.2.
ECLI:NL:GHSHE:2020:4027
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummers: 19/00162 tot en met 19/00164 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] (België), hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 13 februari 2019, nummers BRE 16/3534, 16/3535 en 17/5073, in het geding tussen belanghebbende en de ontvanger van de Belastingdienst, hierna: de ontvanger. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De ontvanger heeft belanghebbende bij beschikkingen als bestuurder van [A BV] (hierna: [A BV] ) aansprakelijk gesteld voor onbetaald gebleven naheffingsaanslagen loonheffingen over de tijdvakken in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2013. 1.2.
ECLI:NL:PHR:2025:1398

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 25/01559 Datum 10 april 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 maart 2025, nrs. BK-ARN 23/1490 tot en met 23/1493, op het hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, (nrs. BRE 17/5075, 16/3534, 16/3535 en 17/5073) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking tot aansprakelijkstelling voor van [A] B.V. nageheven loonheffingen over de periode 1 januari 2011 tot en met 31 december 2013, voor de daarbij voor de naheffing over het jaar 2013 opgelegde boete en voor de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente respectievelijk belastingrente, en betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking tot aansprakelijkstelling voor van [A] B.V. nageheven loonheffingen over de periode oktober 2013 tot en met februari 2014 en voor de daarbij opgelegde boetes. 1Het eerste geding in cassatie 1.1 Bij arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:181, is vernietigd de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 31 december 2020, nr. 19/00161, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest. 1.2 Bij arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:182, is vernietigd de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 31 december 2020, nrs. 19/00162 tot en met 19/00164, met verwijzing van het geding naar het Hof ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

2Het tweede geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.C.J. Schoenmakers, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend en heeft schriftelijk zijn zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht.

De Advocaat-Generaal R.J. Koopman heeft op 19 december 2025 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van zowel het principale beroep in cassatie als het incidentele beroep in cassatie. Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd. 3Beoordeling van de in het principale beroep voorgestelde middelen De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen.

Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 4Beoordeling van het in het incidentele beroep voorgestelde middel De Hoge Raad heeft ook deze klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 5Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 6Beslissing De Hoge Raad verklaart beide beroepen in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026. ECLI:NL:GHARL:2025:1600. ECLI:NL:GHSHE:2020:4048. ECLI:NL:GHSHE:2020:4027. ECLI:NL:PHR:2025:1398.