ECLI:NL:HR:2026:484 · Hoge Raad
Legislator summary
AI generatedHOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/01563 Datum 24 maart 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 maart 2024, nummer 21-003726-21, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997, hierna: de verdachte.
Legislator headnote
AI generatedartikel 432 lid 2 Sv, artikel 365a lid 2 Sv, artikel 359 lid 3 Sv; ECLI:NL:HR:2026:484 · Hoge Raad: In artikel 432 lid 2 Sv is bepaald dat het cassatieberoep moet worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de uitspraak de verdachte bekend is. 2.2 Uit de feiten en omstandigheden zoals die zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.1 en 2.2, kan niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte met de dag van de terechtzitting van het hof van 16 februari 2024 tevoren bekend was. De enkele mededeling van de niet-gemachtigde raadsvrouw op de terechtzitting van het hof dat zij met de vriendin van de verdachte contact heeft gehad over de zittingsdatum en op grond daarvan ervan is uitgegaan dat de verdachte op de hoogte is gesteld van de zittingsdatum, is daarvoor niet toereikend.
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedFull text
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/01563 Datum 24 maart 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 maart 2024, nummer 21-003726-21, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997, hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.I. Takens en T.P.A.M. Wouters bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. 2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep 2.1 In artikel 432 lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is bepaald dat het cassatieberoep moet worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak als zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was.
In artikel 432 lid 2 Sv is bepaald dat het cassatieberoep moet worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de uitspraak de verdachte bekend is. 2.2 Uit de feiten en omstandigheden zoals die zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.1 en 2.2, kan niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte met de dag van de terechtzitting van het hof van 16 februari 2024 tevoren bekend was. De enkele mededeling van de niet-gemachtigde raadsvrouw op de terechtzitting van het hof dat zij met de vriendin van de verdachte contact heeft gehad over de zittingsdatum en op grond daarvan ervan is uitgegaan dat de verdachte op de hoogte is gesteld van de zittingsdatum, is daarvoor niet toereikend.
Het cassatieberoep is ingesteld op 19 april 2024. Omdat ook niet blijkt dat zich een andere omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de verdachte meer dan veertien dagen voor die datum bekend was met de einduitspraak van 1 maart 2024 zal de Hoge Raad het cassatieberoep in behandeling nemen. 3Beoordeling van het cassatiemiddel 3.1 Het cassatiemiddel klaagt dat het hof zijn verkorte uitspraak niet heeft aangevuld met de bewijsmiddelen die het hof heeft gebruikt. 3.2 Bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden, bevindt zich een uitspraak van het hof die niet de bewijsmiddelen bevat.
Verder bevindt zich bij die stukken niet een aanvulling als bedoeld in artikel 365a lid 2 Sv met daarin de bewijsmiddelen die zijn gebruikt. 3.3 De raadsman van de verdachte heeft op grond van artikel 4.3.6.3 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden verzocht om toezending van die aanvulling. Daarnaar gevraagd, heeft het hof aan de Hoge Raad bericht dat zo’n aanvulling niet is opgemaakt. 3.4 Op grond van artikel 359 lid 3 en 8 Sv moet een uitspraak op straffe van nietigheid de bewijsmiddelen bevatten die de feiten en omstandigheden inhouden die redengevend zijn voor de bewezenverklaring, dan wel – voor zover artikel 359 lid 3 Sv dat toestaat – een opgave van bewijsmiddelen.
De uitspraak van het hof voldoet niet aan dit vereiste en kan daarom niet in stand blijven. 3.5 Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld. 4Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof; - wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2026.