Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2026:397 ECLI:NL:HR:2026:397 AI generated

ECLI:NL:HR:2026:397 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2026:397
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 23/04451 Datum 13 maart 2026 ARREST in de zaak van [X] S.À.R.L., als rechtsopvolger onder algemene titel van [A] N.V., (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 26 september 2023, nrs. 23/00085 en 23/00086, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 20/3245 en HAA 20/3246) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2015 en 2016 opgelegde aanslagen in de vennootschapsbelasting, de daarbij gegeven beschikkingen als bedoeld in artikel 20b, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente. 1Geding in cassatie 1.1 Belanghebbende, vertegenwoordigd door F.P.G.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2026:397 · Hoge Raad: De Hoge Raad heeft de klachten van middel II, dat zich tegen dit oordeel richt, beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 2.2.1 De middelen I en III betreffen de op grond van de fusieovereenkomst op belanghebbende rustende betalingsverplichting voor de door haar kleindochtermaatschappij volgens die overeenkomst te kopen aandelen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2023:2557
GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerken 23/00085 en 23/00086 26 september 2023 uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] , gevestigd te [Z] ( [Z] ), (indirect) rechtsopvolger onder algemene titel van [bedrijf ] N.V., belanghebbende, gemachtigden: mr. [A] , prof. mr. [B] en mr. [C] (hierna: de gemachtigde) tegen de uitspraak van 30 november 2022 in de zaken met kenmerken HAA 20/3245 en HAA 20/3246 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
ECLI:NL:PHR:2024:663
ECLI:NL:HR:1984:AW8465
Aanslag. Aan belanghebbende is voor het jaar 1979 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van f 21.967.930,--. Geding voor het Hof. Belanghebbende is met schriftelijke toestemming van de Inspecteur van de aanslag rechtstreeks in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft eerst overwogen: ‘’dat het beroep van belanghebbende strekt tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar bedrag van f 2.079.987,-- en subsidiair tot vermindering van deze aanslag tot een naar een hoger belastbaar bedrag dan deze f 2.079.987,--, met als hoogste belastbare bedrag f 19.525.320,--; dat de Inspecteur primair heeft geconcludeerd tot handhaving van de aanslag, zoals deze zal worden na een door hem voorgenomen vermindering van het belastbare bedrag met f 1.054.877,-- - de gekapitaliseerde som per einde 1979 van de aan, met gebruikmaking van de na te noemen VUT- regeling en eerdere soortgelijke regelingen, vóór het bereiken van de 65- jarige leeftijd uitgetreden werknemers te betalen bedragen, waaromtrent niet in geschil is dat belanghebbende deze verschuldigd is - en subsidiair en verder subsidiair tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar bedrag welke bij het desbetreffende standpunt de juiste is.’’ Het Hof heeft als tussen partijen vaststaande aangemerkt:
ECLI:NL:HR:2023:1504
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 21/03076 Datum 3 november 2023 ARREST in de zaak van [X] B.V.
ECLI:NL:HR:2020:1270
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 18/03268 Datum 10 juli 2020 ARREST in de zaak van [X] B.V.
ECLI:NL:HR:1996:AA1922
Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1989 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 251.654,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 23/04451 Datum 13 maart 2026 ARREST in de zaak van [X] S.À.R.L., als rechtsopvolger onder algemene titel van [A] N.V., (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 26 september 2023, nrs. 23/00085 en 23/00086, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 20/3245 en HAA 20/3246) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2015 en 2016 opgelegde aanslagen in de vennootschapsbelasting, de daarbij gegeven beschikkingen als bedoeld in artikel 20b, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente. 1Geding in cassatie 1.1 Belanghebbende, vertegenwoordigd door F.P.G.

Pötgens en T.M. Vergouwen, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft ook voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld. 1.2 Belanghebbende heeft schriftelijk haar zienswijze over het voorwaardelijke incidentele beroep naar voren gebracht. 1.3 Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend.De Staatssecretaris heeft in het principale beroep een conclusie van dupliek ingediend. 1.4 De Advocaat-Generaal P.J.

Wattel heeft op 21 juni 2024 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van de in het principale beroep in cassatie voorgestelde middelen 2.1 Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende, gelet op de door haar, haar kleindochtermaatschappij en een derde partij gesloten fusieovereenkomst, haar dochtermaatschappij heeft bevoordeeld niet doordat zij het recht op levering van aandelen via deze maatschappij heeft doen toekomen aan haar kleindochtermaatschappij, maar doordat zij de betalingsverplichting van de kleindochtermaatschappij ter zake van het aan die maatschappij toekomende recht op levering van die aandelen op zich heeft genomen.

De Hoge Raad heeft de klachten van middel II, dat zich tegen dit oordeel richt, beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 2.2.1 De middelen I en III betreffen de op grond van de fusieovereenkomst op belanghebbende rustende betalingsverplichting voor de door haar kleindochtermaatschappij volgens die overeenkomst te kopen aandelen.

De fusieovereenkomst en daarmee ook de betalingsverplichting zijn afhankelijk van opschortende voorwaarden en worden pas onvoorwaardelijk indien onzekere, buiten de macht van de bij die overeenkomst betrokken partijen gelegen toekomstige gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. De middelen betogen dat een dergelijke voorwaardelijke betalingsverplichting op de fiscale balans mag worden gepassiveerd, hetzij als schuld, hetzij als voorziening, en dat daarbij jaarlijks de oprentingslast en het ongerealiseerde valutaresultaat ter zake van deze voorwaardelijke betalingsverplichting in aanmerking mogen worden genomen. 2.2.2 Dat betoog wordt verworpen.

Met een betalingsverplichting mag voor fiscale doeleinden pas rekening worden gehouden wanneer een juridisch afdwingbare verplichting tot betaling bestaat. Dat is bij een onder een opschortende voorwaarde aangegane betalingsverplichting pas het geval nadat die verplichting onvoorwaardelijk is geworden doordat de opschortende voorwaarde is vervuld. Passivering van de onderhavige voorwaardelijke betalingsverplichting als schuld is dus niet mogelijk. 2.2.3 Passivering van de onderhavige voorwaardelijke betalingsverplichting als voorziening is evenmin mogelijk.

Een voorziening dient ertoe om toekomstige aftrekbare uitgaven die door gebeurtenissen in eerdere jaren worden opgeroepen, als kosten aan die eerdere jaren toe te rekenen. Een in de toekomst te verrichten betaling als de onderhavige is echter geen aftrekbare uitgave, omdat die betaling moet worden aangemerkt als een storting van informeel kapitaal en als zodanig moet worden bijgeboekt op de kostprijs van de deelneming in de dochtermaatschappij. Hieruit volgt dat passivering van de hiervoor in 2.2.1 bedoelde oprentingslasten en ongerealiseerde valutaresultaten ter zake van de voorwaardelijke betalingsverplichting evenmin mogelijk is. 2.2.4 Reeds op grond van hetgeen hiervoor in 2.2.2 en 2.2.3 is overwogen, falen de middelen I en III in zoverre. 2.3 De Hoge Raad heeft ook de overige klachten van de middelen I en III beoordeeld.

De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3Het voorwaardelijke incidentele beroep in cassatie

Aangezien het incidentele beroep in cassatie alleen is ingesteld voor het geval het principale beroep in cassatie zou slagen, maar dit geval zich niet voordoet, vervalt dat incidentele beroep gelet op artikel 8:112, lid 2, Awb. 4Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 5Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.F. Faase als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026. ECLI:NL:GHAMS:2023:2557. ECLI:NL:PHR:2024:663. Vgl. HR 11 juli 1984, ECLI:NL:HR:1984:AW8465, rechtsoverweging 4.2, en HR 3 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1504, rechtsoverweging 4.6.2. Vgl. HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1270, rechtsoverweging 3.2.4, tweede en laatste alinea. Vgl. HR 19 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1922, rechtsoverweging 3.2.