Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2026:301 ECLI:NL:HR:2026:301 AI generated

ECLI:NL:HR:2026:301 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2026:301
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/03743 Datum 27 februari 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 augustus 2024, nrs. BK-ARN 22/702 en BK-ARN 22/703, op de hoger beroepen van belanghebbende en van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. LEE 21/557) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen. 1Geding in cassatie 1.1 Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2026:301 · Hoge Raad: De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3.2 Middel IV bestrijdt het hiervoor in 2.2.2 weergegeven, door het Hof vastgestelde bedrag aan proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. Volgens het middel had het Hof voor de vaststelling van de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase dezelfde wegingsfactor moeten hanteren als de Rechtbank heeft gehanteerd.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2022:752
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 21/02977 Datum 27 mei 2022 ARREST in de zaak van [X] B.V.
ECLI:NL:HR:2025:46
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/00575 Datum 17 januari 2025 ARREST in de zaak van [X] B.V.
ECLI:NL:GHARL:2024:5495
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Arnhem nummers BK-ARN 22/702 en 22/703 uitspraakdatum: 27 augustus 2024 Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) en het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen (hierna: de Inspecteur) tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 2 maart 2022, nummer LEE 21/557 in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur en de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) 1Ontstaan en loop van het geding 1.1 Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna:
ECLI:NL:HR:2026:92
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/01836 Datum 23 januari 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen 1.
ECLI:NL:HR:2016:1203
17 juni 2016 nr. 15/04534 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 27 augustus 2015, nr. 12/00795, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Breda van 16 oktober 2012 (nr. AWB 11/842) betreffende een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2010 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z]. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2016:252
19 februari 2016 nr. 14/03907 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van de erfgenaam van [A] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 1 juli 2014, nr. BK-13/00675, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. AWB 10/2071‑isv) betreffende het verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/03743 Datum 27 februari 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 augustus 2024, nrs. BK-ARN 22/702 en BK-ARN 22/703, op de hoger beroepen van belanghebbende en van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. LEE 21/557) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen. 1Geding in cassatie 1.1 Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J.

Verhoeven, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. 1.2 Belanghebbende heeft de Hoge Raad op 19 februari 2026 verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep. 2Uitgangspunten in cassatie 2.1.1 De Rechtbank heeft bij uitspraak van 2 maart 2022 het beroep van belanghebbende, gericht tegen de uitspraak op bezwaar betreffende een aan hem opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen, gegrond verklaard. 2.1.2 De Rechtbank heeft de Inspecteur veroordeeld tot het betalen van een proceskostenvergoeding aan belanghebbende.

De Rechtbank heeft die proceskostenvergoeding op de voet van artikel 2, lid 1, letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (tekst 2022), in samenhang gelezen met punten 1 en 13 van onderdeel A1 en punt 1 van onderdeel B1 van de bijlage bij dat besluit, vastgesteld op € 1.082. De Rechtbank is bij die vaststelling uitgegaan van twee punten (indienen van het beroepschrift en verschijnen ter zitting), wegingsfactor 1 en een waarde per punt van € 541. 2.2.1 Belanghebbende heeft bij het Hof geklaagd over de hoogte van de hiervoor in 2.1.2 vermelde vergoeding.

Hij stelde – onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752 (hierna: het arrest van 27 mei 2022) – dat de Rechtbank bij de berekening had moeten uitgaan van een waarde per punt van € 759 als vermeld in punt 2 van onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (tekst 2022). 2.2.2 Het Hof heeft bij uitspraak van 27 augustus 2024 geoordeeld dat de Rechtbank, gelet op het arrest van 27 mei 2022, inderdaad is uitgegaan van het verkeerde bedrag per punt. Het Hof heeft het hoger beroep van belanghebbende om die reden gegrond verklaard.

Vervolgens heeft het Hof de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase vastgesteld op € 875, uitgaande van twee punten (indienen van het beroepschrift en verschijnen ter zitting), wegingsfactor 0,5 en een waarde per punt van € 875; de proceskostenvergoeding voor de fase van hoger beroep heeft het Hof vastgesteld op € 875 (indienen van het beroepschrift en verschijnen ter zitting), wegingsfactor 0,5 en een waarde per punt van € 875. 3Beoordeling van de middelen 3.1 De Hoge Raad heeft de klachten van de middelen I, II en III over de uitspraak van het Hof beoordeeld.

De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3.2 Middel IV bestrijdt het hiervoor in 2.2.2 weergegeven, door het Hof vastgestelde bedrag aan proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. Volgens het middel had het Hof voor de vaststelling van de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase dezelfde wegingsfactor moeten hanteren als de Rechtbank heeft gehanteerd.

Ook had het Hof belanghebbende een kostenvergoeding voor de bezwaarfase moeten toekennen, aldus het middel. 3.3 Middel IV slaagt voor zover het bestrijdt het door het Hof vastgestelde bedrag aan proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. Voor zover het hoger beroep van belanghebbende de door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding voor de beroepsfase betrof, werd enkel de toegepaste waarde per punt van € 541 bestreden. De Inspecteur heeft in hoger beroep die waarde niet bestreden en heeft evenmin gesteld dat bij toepassing van een hogere waarde per punt dan € 541, het Hof de met inachtneming van die hogere waarde per punt opnieuw vast te stellen vergoeding zou moeten matigen.

Het stond het Hof daarom niet vrij om bij het – met inachtneming van de juiste waarde per punt – opnieuw vaststellen van die vergoeding, die vergoeding in het nadeel van de belanghebbende te wijzigen door ambtshalve de door de Rechtbank vastgestelde wegingsfactor van de zaak te verlagen. 3.4 Middel IV faalt voor zover het betoogt dat het Hof een kostenvergoeding voor de bezwaarfase had moeten vaststellen. Het Hof heeft de uitspraak op bezwaar namelijk bevestigd, zodat het voor toepassing van artikel 7:15, lid 2, Awb vereiste herroepen van het bestreden besluit zich niet voordoet. 3.5 Gelet op hetgeen hiervoor in 3.3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven.

De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De Hoge Raad stelt de vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de fase van beroep vast op € 1.868, uitgaande van het door de Rechtbank vastgestelde aantal punten en wegingsfactor 1 vanwege het gewicht van de zaak, en berekend naar de waarde per punt zoals deze ten tijde van het wijzen van dit arrest geldt. 4Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure 4.1 Belanghebbende heeft de Hoge Raad op 19 februari 2026 verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.

Daarbij gaat belanghebbende volgens het gedane verzoek ervan uit dat deze termijn eindigt op 27 februari 2026. 4.2. In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 8 oktober 2024. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft geen overschrijding op van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het beroep in cassatie, aangezien deze termijn twee jaar bedraagt. Het hiervoor in 4.1 bedoelde verzoek wordt daarom afgewezen. 5Proceskosten De Staat zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, uitgaande van 4 punten (beroepschrift in cassatie en conclusie van repliek) en wegingsfactor 1.

Met betrekking tot de hoogte van deze vergoeding overweegt de Hoge Raad in onderdeel 6 als volgt.

6Nader feitenonderzoek door de

Hoge Raad 6.1 Aangezien de uitspraak van het Hof is bekendgemaakt in 2024, moet voor de hoogte van de vergoeding van proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure acht worden geslagen op de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, gelet op het bepaalde in artikel IV van die wet. Gelet op hetgeen de Hoge Raad in onderdeel 3 van zijn arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (hierna: het arrest van 17 januari 2025), heeft overwogen, moet worden beoordeeld of het geval van belanghebbende met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025. 6.2 De Hoge Raad is in dit stadium van het geding niet in staat een beslissing te nemen over de hoogte van de vergoeding van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in deze cassatieprocedure.

De stukken van het geding bieden namelijk onvoldoende aanknopingspunten om de hiervoor in 6.1 bedoelde beoordeling te maken. 6.3 Aangezien het arrest van 17 januari 2025 is gewezen nadat belanghebbende beroep in cassatie had ingesteld, hoefde belanghebbende niet bedacht te zijn op de in de rechtsoverwegingen 3.5.1 en 3.5.2 van dat arrest geformuleerde regels. Daarom zal de Hoge Raad, die hier als feitenrechter optreedt, alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure, belanghebbende in de gelegenheid stellen om nadere gegevens te verstrekken ter voldoening aan de op dit punt op belanghebbende rustende bewijslast.

De Staat zal daarna in de gelegenheid worden gesteld daarop schriftelijk te reageren. 7Beslissing De Hoge Raad houdt elke verdere beslissing aan totdat de hiervoor in 6.3 beschreven procedure is gevolgd. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026. ECLI:NL:GHARL:2024:5495. Vgl. HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:92, rechtsoverweging 3.3. Vgl. HR 17 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1203, rechtsoverweging 2.3.

Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.4.4. Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.