Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2026:231 ECLI:NL:HR:2026:231 AI generated

ECLI:NL:HR:2026:231 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2026:231
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 24/04223 Datum 13 februari 2026 ARREST In de zaak van [eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep, hierna: [eiser], advocaat: J.A.J. Leeman, tegen ABN AMRO HYPOTHEKEN GROEP B.V., gevestigd te Amersfoort, VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep, hierna: ABN AMRO, advocaten: F.E. Vermeulen en B.F.L.M. Schim. 1Procesverloop Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar: a. het vonnis in de zaak C/16/530475 / HA ZA 21-753 van de rechtbank Midden-Nederland van 24 augustus 2022; b. het arrest in de zaak 200.320.946 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 augustus 2024. [eiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.

Legislator headnote

AI generated

art. 3:307 lid 1 BW, art. 3:323 lid 3 BW, art. 3:316 lid 1 BW, art. 3:317 lid 1 BW, art. 3:307 BW, Art. 3:323 lid 1 BW; ECLI:NL:HR:2026:231 · Hoge Raad: Daarmee is aan [eiser] bekend dan wel wordt hij geacht ermee bekend te zijn dat ABN AMRO de vordering niet wil prijsgeven en nog steeds nakoming (betaling van de schuld) verlangt. Het is niet nodig dat ABN AMRO iedere vijf jaar ook nog een stuitingsbrief (in de zin van art. 3:317 lid 1 BW) stuurt, nu [eiser] weet dan wel redelijkerwijs ermee rekening moet houden dat hij ook na het verstrijken van de verjaringstermijn zijn gegevens en bewijsmateriaal bewaart en ABN AMRO ondubbelzinnig steeds (iedere maand) recht op nakoming wenst. Dit oordeel strookt met de ratio van de stuitingsregeling.

Keywords

AI generated
art. 3:307 lid 1 BW art. 3:323 lid 3 BW art. 3:316 lid 1 BW art. 3:317 lid 1 BW art. 3:307 BW Art. 3:323 lid 1 BW

Cited Legislation

AI generated
art. 3:307 lid 1 BW
Voor de vordering tot nakoming van de restschuld geldt de ‘gewone’ verjaringsregel van art. 3:307 lid 1 BW.
art. 3:323 lid 3 BW
De regel van art. 3:323 lid 3 BW is niet van toepassing, omdat het hypotheekrecht is uitgewonnen en door de levering van de woning is tenietgegaan.
art. 3:316 lid 1 BW
Met de maandelijkse inning uit hoofde van het executoriale loonbeslag is, analoog aan art. 3:316 lid 1 BW, iedere maand sprake van een daad van rechtsvervolging.
art. 3:317 lid 1 BW
Voor de vordering tot nakoming van de restschuld geldt de ‘gewone’ verjaringsregel van art. 3:307 lid 1 BW.
art. 3:307 BW
3.2 Voor de verjaring van de vordering van ABN AMRO op [eiser] tot betaling van de restschuld uit hoofde van de hypothecaire geldleningsovereenkomst, geldt de regel van art. 3:307 BW (zie ook hierna in 3.9).
Art. 3:323 lid 1 BW
3.8 Art. 3:323 lid 1 BW bepaalt dat door voltooiing van de verjaring van de rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis, de pand- of hypotheekrechten die tot zekerheid daarvan strekken tenietgaan.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBMNE:2022:3318
vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht handelskamer locatie Utrecht zaaknummer / rolnummer: C/16/530475 / HA ZA 21-753 Vonnis van 24 augustus 2022 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser in conventie, verweerder in reconventie, hierna te noemen: [eiser] , advocaat mr. H.D. Wind te Amsterdam, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ABN AMRO HYPOTHEKEN GROEP B.V., gevestigd te Amersfoort, gedaagde in conventie, eiseres in (voorwaardelijke) reconventie, hierna te noemen: de bank, advocaat mr. A.J.H. Peters te Rosmalen. 1De procedure 1.1.
ECLI:NL:GHARL:2024:5300
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.320.946 zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht 530475 arrest van 20 augustus 2024 in de zaak van [appellant] die woont in [woonplaats1] die hoger beroep heeft ingesteld (appellant) en bij de rechtbank optrad als eiser in conventie/verweerder in reconventie hierna: [appellant] advocaat: mr. B.J. den Hartog tegen ABN AMRO Hypotheken Groep B.V. die is gevestigd in Amersfoort die gedaagde (geïntimeerde0 is in hoger beroep en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie/eiseres in reconventie hierna: de bank advocaat: mr. A.J.H. Peters 1Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1 [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 24 augustus 2022 van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep de memorie van grieven en eiswijziging, met producties de memorie van antwoord een akte van [appellant] een akte van de bank 1.2 Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.
ECLI:NL:HR:2009:BI8502
Het geding in feitelijke instanties [Eiser] heeft bij exploot van 20 augustus 2004 de rechtsvoorgangster van Fortis gedagvaard voor de rechtbank 's-Hertogenbosch en gevorderd, kort gezegd, te verklaren voor recht dat [betrokkene 1] als bestuurder van de in het exploot vermelde personenauto onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld, en voorts de rechtsvoorgangster van Fortis te veroordelen om aan [eiser] te betalen de vergoeding van de schade die [eiser] als gevolg van het ongeval heeft geleden en zal lijden, nader op te maken bij staat, met rente en kosten.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 24/04223 Datum 13 februari 2026 ARREST In de zaak van [eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep, hierna: [eiser], advocaat: J.A.J. Leeman, tegen ABN AMRO HYPOTHEKEN GROEP B.V., gevestigd te Amersfoort, VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep, hierna: ABN AMRO, advocaten: F.E. Vermeulen en B.F.L.M. Schim. 1Procesverloop Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar: a. het vonnis in de zaak C/16/530475 / HA ZA 21-753 van de rechtbank Midden-Nederland van 24 augustus 2022; b. het arrest in de zaak 200.320.946 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 augustus 2024. [eiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.

ABN AMRO heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor ABN AMRO toegelicht door B.F.L.M. Schim en E.J. van Berkel. De conclusie van de Advocaat-Generaal G. Snijders strekt tot verwerping van het principale beroep. 2Uitgangspunten en feiten 2.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (i) [eiser] en zijn toenmalige partner hebben in 2007 met ABN AMRO een overeenkomst van geldlening gesloten, waarbij zij aan ABN AMRO een hypotheekrecht op hun woning hebben verleend. (ii) In verband met een betalingsachterstand heeft ABN AMRO in augustus 2010 de geldlening opgeëist en executoriaal loonbeslag ten laste van [eiser] gelegd.

Op 26 augustus 2010 is het loonbeslag aan [eiser] overbetekend. (iii) De woning is in 2012 op grond van het hypotheekrecht executoriaal verkocht, en op 2 november 2012 geleverd. Er was toen nog een restschuld. (iv) De werkgever van [eiser] heeft vanaf augustus 2010 iedere maand het op grond van het loonbeslag ingehouden loon aan de deurwaarder afgedragen ter delging van (onder meer) de schuld aan ABN AMRO. 2.2 [eiser] vordert in deze procedure, voor zover in cassatie van belang, een verklaring voor recht dat de vordering waarvoor ABN AMRO ten laste van [eiser] loonbeslag heeft laten leggen, op 26 augustus 2015 dan wel 2 november 2017 is verjaard. 2.3 De rechtbank heeft de vordering van [eiser] afgewezen. 2.4 Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

Het heeft daartoe, samengevat, het volgende overwogen. Voor de vordering tot nakoming van de restschuld geldt de ‘gewone’ verjaringsregel van art. 3:307 lid 1 BW. De regel van art. 3:323 lid 3 BW is niet van toepassing, omdat het hypotheekrecht is uitgewonnen en door de levering van de woning is tenietgegaan. (rov. 2.5 en 2.12) De verjaring is in elk geval gestuit door de executoriale verkoop van de woning in november 2012, waarna een nieuwe verjaringstermijn is gaan lopen op 3 november 2012. Die verjaringstermijn is voltooid op 3 november 2017, tenzij die verjaring is gestuit. (rov. 2.13) Met de maandelijkse inning uit hoofde van het executoriale loonbeslag is, analoog aan art. 3:316 lid 1 BW, iedere maand sprake van een daad van rechtsvervolging.

Daarmee is aan [eiser] bekend dan wel wordt hij geacht ermee bekend te zijn dat ABN AMRO de vordering niet wil prijsgeven en nog steeds nakoming (betaling van de schuld) verlangt. Het is niet nodig dat ABN AMRO iedere vijf jaar ook nog een stuitingsbrief (in de zin van art. 3:317 lid 1 BW) stuurt, nu [eiser] weet dan wel redelijkerwijs ermee rekening moet houden dat hij ook na het verstrijken van de verjaringstermijn zijn gegevens en bewijsmateriaal bewaart en ABN AMRO ondubbelzinnig steeds (iedere maand) recht op nakoming wenst. Dit oordeel strookt met de ratio van de stuitingsregeling.

Dit betekent dat ABN AMRO geen aparte stuitingshandelingen behoefde te verrichten na 3 november 2017 zolang uitvoering werd gegeven aan het loonbeslag. (rov. 2.17) De vordering van ABN AMRO betreffende de betaling van de restschuld is dus niet verjaard. (rov. 2.18) 3Beoordeling van het middel in het principale beroep 3.1 Onderdeel 1 van het middel bestrijdt het oordeel van het hof (in rov. 2.17-2.18) dat de vordering van ABN AMRO betreffende de betaling van de restschuld niet is verjaard, doordat met de maandelijkse inning uit hoofde van het executoriale loonbeslag de verjaring telkens is gestuit.

De maandelijkse inning uit hoofde van dat beslag kan volgens de klachten van het onderdeel niet als stuitingshandeling worden aangemerkt. 3.2 Voor de verjaring van de vordering van ABN AMRO op [eiser] tot betaling van de restschuld uit hoofde van de hypothecaire geldleningsovereenkomst, geldt de regel van art. 3:307 BW (zie ook hierna in 3.9). De verjaring van die rechtsvordering kan worden gestuit door het instellen van een eis, alsmede door iedere andere daad van rechtsvervolging van de zijde van de gerechtigde, die in de vereiste vorm geschiedt (art. 3:316 lid 1 BW). 3.3 Zowel bij het instellen van een eis als bij een andere daad van rechtsvervolging in de zin van art. 3:316 lid 1 BW gaat het om een handeling die erop gericht is een vorderingsrecht geldend te maken.

Onder een daad van rechtsvervolging wordt onder meer begrepen een daad van executie die in de vereiste vorm geschiedt. 3.4 Niet alleen het leggen van een executoriaal loonbeslag zelf, maar ook de uitvoering daarvan door de periodieke inning van het door het beslag getroffen loon is van de zijde van de schuldeiser een daad van executie die erop is gericht om zijn vorderingsrecht geldend te maken. Die periodieke inning is dan ook telkens een daad van rechtsvervolging zoals bedoeld in art. 3:316 lid 1 BW. Het oordeel van het hof dat de maandelijkse inning uit hoofde van het executoriale loonbeslag een maandelijks terugkerende stuitingshandeling is, is dus juist.

Daarop stuiten de hiervoor in 3.1 bedoelde klachten af. 3.5 De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO). 3.6 Het incidentele beroep is ingesteld onder de voorwaarde dat enige klacht in het principale beroep slaagt. Gelet op wat hiervoor in 3.4 en 3.5 is overwogen, is die voorwaarde niet vervuld.

Het middel in het voorwaardelijke incidentele beroep behoeft dus geen behandeling. 3.7 Naar aanleiding van de klachten van onderdeel 1 van het middel in het voorwaardelijke incidentele beroep merkt de Hoge Raad, ten overvloede, het volgende op. 3.8 Art. 3:323 lid 1 BW bepaalt dat door voltooiing van de verjaring van de rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis, de pand- of hypotheekrechten die tot zekerheid daarvan strekken tenietgaan. De ratio van deze bepaling is dat na verjaring van de vordering ook de daaraan verbonden pand- en hypotheekrechten niet meer uitgeoefend behoren te kunnen worden.Art. 3:323 lid 3 BW verlengt, voor zoveel nodig, de verjaringstermijn van de in art. 3:323 lid 1 BW genoemde vordering tot het tijdstip dat twintig jaren zijn verstreken na de aanvang van de dag volgend op die waarop de hypotheek aan de verbintenis is verbonden.

Uit de toelichting op art. 3:323 lid 3 BW blijkt dat is bedoeld een uitzondering te maken op de verjaringstermijn van vijf jaar van art. 3:307 BW, om te voorkomen dat de hypotheekhouder voor onaangename verrassingen komt te staan door de werking van art. 3:323 lid 1 BW. 3.9 Uit wat hiervoor in 3.8 is overwogen, volgt dat als een hypotheekrecht teniet is gegaan, zoals door uitwinning van het verbonden goed, niet langer grond bestaat voor de bescherming die art. 3:323 lid 3 BW de hypotheekhouder biedt. In dat geval geldt voor de restschuld dus niet de regel van art. 3:323 lid 3 BW, maar die van art. 3:307 lid 1 BW, zoals ook het hof heeft geoordeeld.

De verjaringstermijn van art. 3:307 lid 1 BW loopt in dat geval van de aanvang van de dag volgend op die waarop het hypotheekrecht is tenietgegaan. 4Beslissing De Hoge Raad: - verwerpt het principale beroep; - veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ABN AMRO begroot op € 2.897,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, F.J.P. Lock, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 13 februari 2026.

Rechtbank Midden-Nederland 24 augustus 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:3318. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5300. Vgl. HR 18 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8502, rov. 3.5. Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 932-933 en p. 945. Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 940. Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1419-1420.