Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2026:230 ECLI:NL:HR:2026:230 AI generated

ECLI:NL:HR:2026:230 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2026:230
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 25/02288 Datum 13 februari 2026 ARREST IN HET INCIDENT In de zaak van 1. [eiser 1], wonende te [woonplaats], 2. [eiser 2], wonende te [woonplaats], Oostenrijk, 3. HEAD SPORTS HOLDINGS N.V., gevestigd te Willemstad, Curaçao, 4. HEAD UK LTD., gevestigd te Kendal, Verenigd Koninkrijk, EISERS in het incident, verweerders in cassatie, hierna gezamenlijk: Head c.s., advocaat: J.W.H. van Wijk, tegen 1. ELSER & COMPANY LTD., gevestigd op de Britse Maagdeneilanden, 2. CARLISLE INVESTMENTS INC., gevestigd op de Britse Maagdeneilanden, VERWEERSTERS in het incident, eiseressen tot cassatie, verweersters in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep, hierna gezamenlijk:

Legislator headnote

AI generated

art. 6:51 lid 2 BW, art. 224 Rv, art. 414 Rv, art. 224 lid 1 Rv, art. 224 lid 2 Rv, art. 6:51 lid 1 BW; ECLI:NL:HR:2026:230 · Hoge Raad: De advocaat van Elser c.s. heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd. 2Beoordeling van de incidentele vordering 2.1 In eerste aanleg hebben Elser c.s. zowel Head c.s. als KPMG c.s. in rechte betrokken en verklaringen voor recht en betaling van schadevergoeding gevorderd. De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. 2.2 Elser c.s. zijn in hoger beroep gegaan van het vonnis van de rechtbank. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. 2.3 Nadat Elser c.s. cassatieberoep hadden ingesteld, hebben zowel Head c.s. als KPMG c.s. op de voet van art. 224 Rv in verbinding met art. 414 Rv een incidentele vordering ingediend strekkende tot veroordeling van Elser c.s. om zekerheid te stellen voor de proceskosten van het geding in cassatie op straffe van niet-ontvankelijkheid.

Keywords

AI generated
art. 6:51 lid 2 BW art. 224 Rv art. 414 Rv art. 224 lid 1 Rv art. 224 lid 2 Rv art. 6:51 lid 1 BW

Cited Legislation

AI generated
art. 6:51 lid 2 BW
Indien deze partij ervoor kiest om zekerheid te stellen door storting op de derdenrekening van een advocatenkantoor, brengt het bepaalde in art. 6:51 lid 2 BW mee dat zij zich ervan dient te vergewissen dat het betrokken advocatenkantoor daaraan medewerking verleent.
art. 224 Rv
op de voet van art. 224 Rv in verbinding met art.
art. 414 Rv
224 Rv in verbinding met art. 414 Rv een incidentele vordering ingediend strekkende tot veroordeling van Elser c.s.
art. 224 lid 1 Rv
zijn gevestigd op de Britse Maagdeneilanden en dat zij geen woonplaats of gewone verblijfplaats hebben in Nederland, zodat in zoverre is voldaan aan het vereiste van art. 224 lid 1 Rv.
art. 224 lid 2 Rv
Gesteld noch gebleken is dat een van de in art. 224 lid 2 Rv bedoelde uitzonderingen zich voordoet.
art. 6:51 lid 1 BW
2.7 Op grond van art. 6:51 lid 1 BW staat de vorm van de zekerheid in beginsel ter vrije keuze van degene die is verplicht tot het stellen van zekerheid.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBAMS:2023:9
RECHTBANK Amsterdam Afdeling privaatrecht Zaaknummer / rolnummer: C/13/702237 / HA ZA 21-480 Vonnis van 4 januari 2023 in de zaak van 1.
ECLI:NL:GHAMS:2025:745
GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.325.220/01 zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/702237 / HA ZA 21-480 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 maart 2025 inzake 1 [appellant 1] , 2. [appellant 2], beide gevestigd op de [plaats 4] , appellanten in principaal hoger beroep, geïntimeerden in incidenteel hoger beroep, advocaten: mrs. R.R. Verkerk te Rotterdam en D.M. Agranovich te Amsterdam, tegen 1 [geïntimeerde 1] , wonende te [plaats 1] , [plaats 1] , 2. [geïntimeerde 2], wonende te [plaats 2] , Oostenrijk, 3. [geïntimeerde 4], gevestigd te [plaats 5] , Curaçao, 4. [geïntimeerde 5], gevestigd te [plaats 6] , Verenigd Koninkrijk, geïntimeerden, advocaten: mrs.
ECLI:NL:HR:2019:1607
Procesverloop Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar: a.
ECLI:NL:HR:2022:1740
Procesverloop Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar: de vonnissen in de zaak C/02/350240 / HA ZA 18-644 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 januari 2019 en 27 november 2019; de uitspraken in de zaak 200.274.866/01 van het gerechtshof ʼs-Hertogenbosch van 22 september 2020 (arrest), 27 oktober 2020 (beschikking) en 1 juni 2021 (arrest). FISA heeft tegen de arresten van het hof van 22 september 2020 en 1 juni 2021 beroep in cassatie ingesteld. Tegen [verweerders] is verstek verleend. De zaak is voor FISA toegelicht door haar advocaat.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 25/02288 Datum 13 februari 2026 ARREST IN HET INCIDENT In de zaak van 1. [eiser 1], wonende te [woonplaats], 2. [eiser 2], wonende te [woonplaats], Oostenrijk, 3. HEAD SPORTS HOLDINGS N.V., gevestigd te Willemstad, Curaçao, 4. HEAD UK LTD., gevestigd te Kendal, Verenigd Koninkrijk, EISERS in het incident, verweerders in cassatie, hierna gezamenlijk: Head c.s., advocaat: J.W.H. van Wijk, tegen 1. ELSER & COMPANY LTD., gevestigd op de Britse Maagdeneilanden, 2. CARLISLE INVESTMENTS INC., gevestigd op de Britse Maagdeneilanden, VERWEERSTERS in het incident, eiseressen tot cassatie, verweersters in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep, hierna gezamenlijk:

Elser c.s., advocaat: R.R. Verkerk, en tegen 5. KPMG ALPEN TREUHAND GMBH, gevestigd te Wenen, Oostenrijk, 6. BOOMDAAL B.V., voorheen HLB van Daal Audit B.V, gevestigd te Waalwijk, VERWEERSTERS in cassatie, eiseressen in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep, hierna gezamenlijk: KPMG c.s., advocaten: P.A. Fruytier en F.M. Dekker. 1Procesverloop Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar: a. het vonnis in de zaak C/13/702237 / HA ZA 21-480 van de rechtbank Amsterdam van 4 januari 2023; b. het arrest in de zaak 200.325.220/01 van het gerechtshof Amsterdam van 25 maart 2025.

Elser c.s. hebben tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld. Head c.s. hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend en een incident tot zekerheidstelling opgeworpen. KPMG c.s. hebben een verweerschrift tot verwerping tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingediend. KPMG c.s. hebben het door hen opgeworpen incident tot zekerheidstelling ingetrokken. Elser c.s. hebben geconcludeerd tot referte in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep van KPMG c.s. en hebben een verweerschrift ingediend op het incident tot zekerheidstelling.

Head c.s. hebben voorts een uitlating in het incident genomen. Elser c.s. hebben een reactie op uitlating in het incident ingediend. De conclusie in het incident van de Advocaat-Generaal B.F. Assink strekt tot het bevelen van het stellen van zekerheid door Elser c.s., ten behoeve van Head c.s., die voldoet aan de vereisten van art. 6:51 lid 2 BW voor de proceskosten van deze cassatieprocedure, voor een bedrag van € 11.665,00 binnen twee weken na de datum van het arrest in het incident; tot veroordeling van Elser c.s. in de kosten van het incident zijdens Head c.s., te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten indien Elser c.s. deze niet voldoet binnen veertien dagen na de datum waarop het arrest in het incident is gewezen; tot afwijzing van de incidentele vordering tot zekerheidstelling van Head c.s. voor het overige.

De advocaat van Elser c.s. heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd. 2Beoordeling van de incidentele vordering 2.1 In eerste aanleg hebben Elser c.s. zowel Head c.s. als KPMG c.s. in rechte betrokken en verklaringen voor recht en betaling van schadevergoeding gevorderd. De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. 2.2 Elser c.s. zijn in hoger beroep gegaan van het vonnis van de rechtbank. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. 2.3 Nadat Elser c.s. cassatieberoep hadden ingesteld, hebben zowel Head c.s. als KPMG c.s. op de voet van art. 224 Rv in verbinding met art. 414 Rv een incidentele vordering ingediend strekkende tot veroordeling van Elser c.s. om zekerheid te stellen voor de proceskosten van het geding in cassatie op straffe van niet-ontvankelijkheid.

Zij hebben aan hun incidentele vorderingen onder meer ten grondslag gelegd dat Elser c.s. zijn gevestigd op de Britse Maagdeneilanden en geen woonplaats of vaste verblijfplaats in Nederland hebben en dat de Britse Maagdeneilanden geen partij zijn bij enig verdrag dat tot gevolg heeft dat er een tenuitvoerleggingsmogelijkheid van een proceskostenveroordeling bestaat. 2.4 Vervolgens hebben Elser c.s. zekerheid gesteld voor de proceskosten van KPMG c.s. Daarop hebben KPMG c.s. hun incidentele vordering ingetrokken, zodat daarop niet meer behoeft te worden beslist. 2.5 Vast staat dat Elser c.s. zijn gevestigd op de Britse Maagdeneilanden en dat zij geen woonplaats of gewone verblijfplaats hebben in Nederland, zodat in zoverre is voldaan aan het vereiste van art. 224 lid 1 Rv.

Gesteld noch gebleken is dat een van de in art. 224 lid 2 Rv bedoelde uitzonderingen zich voordoet. Elser c.s. zijn dus gehouden zekerheid te stellen. De vordering van Head c.s. tot het stellen van zekerheid ten bedrage van € 11.665,-- is daarmee toewijsbaar. 2.6 Elser c.s. hebben aangeboden de door Head c.s. verlangde zekerheid te stellen door een bedrag over te maken naar de derdenrekening van (i) het kantoor van de advocaten van Head c.s. in feitelijke instanties, (ii) het kantoor van de cassatieadvocaten van Head c.s., dan wel (iii) het kantoor van de cassatieadvocaten van KPMG c.s. Head c.s. hebben dit aanbod niet aanvaard, waartoe zij onder meer hebben aangevoerd – kort gezegd – dat de hiervoor onder (i) en (ii) bedoelde advocatenkantoren hebben laten weten dat zij op grond van hun interne regels niet toestaan dat hun derdenrekeningen hiervoor worden gebruikt.

Head c.s. hebben verzocht om zekerheidstelling door storting op de derdenrekening van de cassatieadvocaat van Elser c.s. Uit het procesdossier blijkt niet dat Elser c.s. met het hiervoor onder (iii) bedoelde advocatenkantoor overeenstemming hebben bereikt over storting op de derdenrekening van dat kantoor ten behoeve van Head c.s. 2.7 Op grond van art. 6:51 lid 1 BW staat de vorm van de zekerheid in beginsel ter vrije keuze van degene die is verplicht tot het stellen van zekerheid. Indien deze partij ervoor kiest om zekerheid te stellen door storting op de derdenrekening van een advocatenkantoor, brengt het bepaalde in art. 6:51 lid 2 BW mee dat zij zich ervan dient te vergewissen dat het betrokken advocatenkantoor daaraan medewerking verleent.

Een en ander betekent dat – anders dan Elser c.s. aanvoeren – hun uit art. 6:51 lid 1 BW voortvloeiende keuzevrijheid niet zo ver gaat dat Head c.s. waren gehouden om het hiervoor in 2.6 bedoelde aanbod van Elser c.s. tot zekerheidstelling te aanvaarden en dat de weigering van Head c.s. om dit aanbod te aanvaarden ertoe leidt dat hun incidentele vordering wegens gebrek aan belang moet worden afgewezen. 2.8 Head c.s. vorderen voorts aanvullende zekerheid voor het geval dat de hiervoor in 2.5 genoemde zekerheid op enig moment niet langer toereikend is.

Head c.s. hebben de noodzaak van een aanvullende zekerheid echter niet toegelicht en ook geen bedrag genoemd. Dit onderdeel van de vordering is dus onvoldoende onderbouwd en zal daarom worden afgewezen. 3Beslissing De Hoge Raad: in het incident: - beveelt dat Elser c.s. ten behoeve van Head c.s. zekerheid stellen voor een bedrag van € 11.665,-- ter zake van de proceskosten waartoe Elser c.s. in de procedure in cassatie zouden kunnen worden veroordeeld; - bepaalt dat de zekerheid moet zijn gesteld uiterlijk op 27 februari 2026, op straffe van niet-ontvankelijkheid van Elser c.s. in het cassatieberoep; - veroordeelt Elser c.s. in de kosten van dit incident, tot op deze uitspraak aan de zijde van Head c.s. begroot op € 800,--, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Elser c.s. deze niet binnen veertien na heden hebben voldaan; - wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 13 februari 2026. Rechtbank Amsterdam 4 januari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:9. Gerechtshof Amsterdam 25 maart 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:745. Zie bijvoorbeeld HR 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1607, rov. 3.3.6. Vgl. HR 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1740, rov. 3.2.2.