Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2026:200 ECLI:NL:HR:2026:200 AI generated

ECLI:NL:HR:2026:200 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2026:200
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/04454 Datum 6 februari 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID) op het beroep in cassatie tegen de uitspraken van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 30 oktober 2024 en van 18 december 2024, nrs. 21/1566 en 21/1567, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 20/4769 en 20/4770) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2015 en 2016 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en een verzoek van belanghebbende om schadevergoeding op grond van artikel 8:73 Awb.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:73 Awb, artikel 32 Rv; ECLI:NL:HR:2026:200 · Hoge Raad: Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie voor zover dat is gericht tegen de hersteluitspraak In zijn uitspraak van 30 oktober 2024 heeft het Hof verzuimd te beslissen op het verzoek van belanghebbende om toekenning van een vergoeding voor immateriële schade en proceskosten. Bij de hersteluitspraak heeft het Hof die fout hersteld, en zijn uitspraak van 30 oktober 2024 op die punten aangevuld. Het Hof was daartoe bevoegd en ook verplicht (vgl. artikel 32 Rv). Tegen een dergelijke uitspraak staat zelfstandig cassatieberoep open. Het cassatieberoep is daarom ook ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de hersteluitspraak.

Keywords

AI generated
artikel 8:73 Awb artikel 32 Rv

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:73 Awb
BRE 20/4769 en 20/4770) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2015 en 2016 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en een verzoek van belanghebbende om schadevergoeding op grond van artikel 8:73 Awb.
artikel 32 Rv

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHSHE:2024:3396
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummers: 21/1566 en 21/1567 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 4 november 2021, nummers BRE 20/4769 en 20/4770 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2015 en 2016 opgelegd. 1.2.
ECLI:NL:GHSHE:2024:4068
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH HERSTELUITSPRAAK Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummers: 21/1566 en 21/1567 Uitspraak gewezen ter verbetering van de schriftelijke uitspraak van 30 oktober 2024 van de meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 4 november 2021, nummers BRE 20/4769 en 20/4770, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1De uitspraak in dit geding 1. Het hof heeft in bovenvermelde zaak op 30 oktober 2024 uitspraak gedaan. Het hof heeft, naar aanleiding van een brief van belanghebbende van 8 november 2024, geconstateerd dat in de uitspraak per ongeluk niet is ingegaan op het ter zitting van het hof gedane verzoek om vergoeding van immateriële schade door belanghebbende.
ECLI:NL:PHR:2025:1215

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/04454 Datum 6 februari 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID) op het beroep in cassatie tegen de uitspraken van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 30 oktober 2024 en van 18 december 2024, nrs. 21/1566 en 21/1567, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 20/4769 en 20/4770) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2015 en 2016 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en een verzoek van belanghebbende om schadevergoeding op grond van artikel 8:73 Awb.

1Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Zowel de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P1] als de Minister van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door [P2], heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft afzonderlijke conclusies van repliek ingediend. De Advocaat-Generaal R.J. Koopman heeft op 14 november 2025 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie. Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd. 2Uitgangspunten in cassatie 2.1 Bij uitspraak van 30 oktober 2024 heeft het Hof het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. 2.2 Bij brief van 8 november 2024 heeft belanghebbende aan het Hof geschreven dat het niet is ingegaan op zijn verzoek om vergoeding van immateriële schade. 2.3 In zijn uitspraak van 18 december 2024 (hierna: de hersteluitspraak) heeft het Hof zijn uitspraak van 30 oktober 2024 verbeterd, alsnog op dit verzoek beslist en de Staat veroordeeld aan belanghebbende een vergoeding voor immateriële schade en een proceskostenvergoeding te betalen.

Het Hof heeft de Inspecteur in die uitspraak niet opgedragen het bij het Hof betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie voor zover dat is gericht tegen de hersteluitspraak In zijn uitspraak van 30 oktober 2024 heeft het Hof verzuimd te beslissen op het verzoek van belanghebbende om toekenning van een vergoeding voor immateriële schade en proceskosten. Bij de hersteluitspraak heeft het Hof die fout hersteld, en zijn uitspraak van 30 oktober 2024 op die punten aangevuld. Het Hof was daartoe bevoegd en ook verplicht (vgl. artikel 32 Rv). Tegen een dergelijke uitspraak staat zelfstandig cassatieberoep open. Het cassatieberoep is daarom ook ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de hersteluitspraak.

4Beoordeling van de klachten

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraken van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraken. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 5Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6Verzoek om schadevergoeding

Belanghebbende heeft in cassatie verzocht om schadevergoeding. De Hoge Raad merkt dit aan als een verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 Awb. Zo’n verzoek kan, gelet op het bepaalde in artikel 29 AWR, niet voor het eerst in cassatie worden gedaan. Het verzoek moet daarom worden afgewezen. 7Beslissing De Hoge Raad: - verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026. ECLI:NL:GHSHE:2024:3396 en ECLI:NL:GHSHE:2024:4068. ECLI:NL:PHR:2025:1215. Vgl. Kamerstukken 1999/2000, 26 855, nr. 5, blz. 32.