Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2026:184 ECLI:NL:HR:2026:184 AI generated

ECLI:NL:HR:2026:184 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2026:184
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/01742 Datum 10 februari 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 18 april 2024, nummer 20-000333-22, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000, hierna: de verdachte.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2026:184 · Hoge Raad: Omdat ook de overige klachten over de uitspraak duidelijk niet kunnen slagen, zal de Hoge Raad gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2026.

Cited Case Law

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/01742 Datum 10 februari 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 18 april 2024, nummer 20-000333-22, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000, hierna: de verdachte.

1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo een schriftuur ingediend. 2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep 2.1 Het eerste cassatiemiddel klaagt dat het hof de ingangsdatum van de wettelijke rente (over de materiële schade van € 850,21) heeft bepaald op 22 april 2019, terwijl het gaat om schade die in december 2019 is ontstaan. 2.2 De klacht van het cassatiemiddel heeft betrekking op een gering financieel belang van ongeveer € 14. Gelet daarop heeft de verdachte onvoldoende belang bij gegrondbevinding van de klacht (vgl. HR 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1558).

Omdat ook de overige klachten over de uitspraak duidelijk niet kunnen slagen, zal de Hoge Raad gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2026.