Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2026:171 ECLI:NL:HR:2026:171 AI generated

ECLI:NL:HR:2026:171 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2026:171
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 25/01484 Bv Datum 3 februari 2026 BESCHIKKING op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 11 februari 2025, nummer RK 24/020469, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 98 lid 4 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door [klaagster] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] , hierna: de klaagster.

Legislator headnote

AI generated

artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, artikel 98 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering, artikel 552a Sv, Artikel 23 lid 1 Sv, artikel 552a lid 2 Sv, artikel 98 lid 4 Sv; ECLI:NL:HR:2026:171 · Hoge Raad: De rechtbank geeft de officier van justitie opdracht toekomstige logbestanden (tijdig) toe te voegen aan het procesdossier.” 2.3.1 Artikel 23 lid 1 Sv luidt: “De raadkamer is bevoegd de noodige bevelen te geven, opdat het onderzoek hetwelk aan hare beslissing moet voorafgaan, overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek zal plaats vinden.” 2.3.2 De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 15 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:578 onder meer overwogen: “Vernietiging van gegevens 3.4.1 Het openbaar ministerie draagt de verantwoordelijkheid voor de door de rechter-commissaris bevolen vernietiging van de gegevens.

Keywords

AI generated
artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering artikel 98 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering artikel 552a Sv Artikel 23 lid 1 Sv artikel 552a lid 2 Sv artikel 98 lid 4 Sv

Cited Legislation

AI generated
artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering
artikel 98 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering
Over een deel van deze gegevens heeft de rechter-commissaris bij beschikking als bedoeld in artikel 98 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna:
artikel 552a Sv
Artikel 23 lid 1 Sv
Als de rechter oordeelt dat niet voldoende aannemelijk is dat is voldaan aan het onder 3.4.1 bedoelde vereiste, geeft de rechter op grond van artikel 23 lid 1 Sv het openbaar ministerie een bevel om nadere maatregelen te treffen waarmee is verzekerd dat wel aan dat vereiste is voldaan en daarvan verslag te doen.
artikel 552a lid 2 Sv
Daarvoor kan aansluiting worden gezocht bij de regeling van artikel 552a lid 2 Sv.
artikel 98 lid 4 Sv
artikel 125i Sv
artikel 359a Sv
Als de verdachte zo’n verweer voert en daarbij gemotiveerd aanvoert dat hij door het gebruik van de betreffende onderzoeksresultaten in zijn belangen is of zal worden aangetast, is de strafrechter gehouden op dat verweer te beslissen overeenkomstig artikel 359a Sv.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2025:578
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/02504 Bv Datum 15 april 2025 BESCHIKKING op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 25 april 2024, nummer RK 23/030291, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 98 lid 4 in samenhang met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door [klager] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955, hierna: de klager.
ECLI:NL:HR:2022:1257
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 22/00317 Bv Datum 20 september 2022 BESCHIKKING op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 8 juli 2021, nummers RK 20/3058 en RK 20/3059, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door [klager 2] en [klager 1], hierna: de klagers.
ECLI:NL:HR:2024:375
Is de door de Staat gehanteerde werkwijze met een geheimhoudersofficier en/of een geheimhoudersmedewerker in overeenstemming met artikel 126aa Sv? Is in overeenstemming met dit artikel dat de geheimhoudersofficier in voorkomend geval beslist dat gegevens die uiteindelijk naar het oordeel van de geheimhoudersofficier niet vallen onder het verschoningsrecht worden vrijgegeven aan het opsporingsteam? Is in overeenstemming met artikel 126aa Sv dat de geheimhoudersmedewerker in voorkomend geval beslist dat gegevens die uiteindelijk naar het oordeel van de geheimhoudersmedewerker niet vallen onder het verschoningsrecht door hem worden vrijgegeven aan het opsporingsteam? 2.
ECLI:NL:HR:2010:BK3369
Geding in cassatie 1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. W.J.E. Hendriks, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De raadsman heeft de middelen mondeling toegelicht. Namens de benadeelde partij heeft mr. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend gerechtshof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. 1.2. De raadsman van de verdachte en de advocaat van de benadeelde partij hebben schriftelijk op de conclusie gereageerd.
ECLI:NL:HR:2024:1560
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 23/03258 Datum 1 november 2024 ARREST In de zaak van [de Advocaat], woonplaats gekozen hebbende te [woonplaats], EISERES tot cassatie, hierna: de Advocaat, advocaat: K.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 25/01484 Bv Datum 3 februari 2026 BESCHIKKING op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 11 februari 2025, nummer RK 24/020469, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 98 lid 4 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door [klaagster] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] , hierna: de klaagster.

1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De raadslieden van de klaagster, A.H.J. Saes en M. te Stroet, hebben het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken. De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking, maar enkel voor zover daarin aan de officier van justitie de opdracht is gegeven om toekomstige logbestanden (tijdig) aan het dossier toe te voegen. 2Beoordeling van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt dat de rechtbank ten onrechte in haar beschikking op het door de klaagster ingediende klaagschrift aan de officier van justitie de opdracht heeft gegeven toekomstige logbestanden (tijdig) toe te voegen aan het procesdossier “ten behoeve van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak”.

Het voert daartoe aan dat de wet niet voorziet in het geven van zo’n opdracht door de rechter in de beklagprocedure. 2.2.1 In verband met een strafrechtelijk onderzoek tegen (onder meer) de klaagster, een producent van medische apparatuur, hebben ‘actiedagen’ plaatsgevonden bij de klaagster en bij [medeklaagster] KG (de klaagster in de samenhangende zaak), waarbij gegevens in beslag zijn genomen. Over een deel van deze gegevens heeft de rechter-commissaris bij beschikking als bedoeld in artikel 98 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna:

Sv) van 2 augustus 2024 beslist dat deze als “geheimhoudersinformatie” moeten worden aangemerkt en dat de betreffende bestanden voor het onderzoeksteam van de FIOD ontoegankelijk moeten worden gemaakt door middel van ‘uitgrijzen’. De klaagster heeft vervolgens een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv ingediend, waarin onder meer is gesteld dat met het uitgrijzen onvoldoende is verzekerd dat de betreffende “geheimhoudersinformatie inderdaad ontoegankelijk is en blijft voor het onderzoeksteam en dat op dergelijke informatie in het verdere verloop van het strafproces geen acht zal worden geslagen”. 2.2.2 De beschikking van de rechtbank houdt onder meer in:

“De rechtbank heeft het beklag behandeld in besloten raadkamer van 19 november 2024. Bij beslissing van 3 december 2024 heeft de rechtbank (...) ten aanzien van het uitgrijzen bepaald dat daarmee “kan worden volstaan om te voorkomen dat geheimhouderstukken kenbaar zijn voor de leden van het onderzoeksteam, op voorwaarde dat het uitgrijzen met voldoende en juist vormgegeven waarborgen is omkleed. Ter beoordeling daarvan dient de rechtbank kennis te nemen van het door de rechter-commissaris toegezegde proces-verbaal van de FIOD betreffende het uitgrijzen en de ontoegankelijkheid.” Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek heropend en aangehouden tot 28 januari 2025 om 10:00 uur en bepaald dat voornoemd proces-verbaal uiterlijk op 21 januari 2025 aan de verdediging, de officier van justitie en de rechtbank diende te worden verstrekt.

Op 24 januari 2025 heeft de officier van justitie twee processen-verbaal aan de rechtbank en de verdediging verstrekt. Het betreft een proces-verbaal van bevindingen met nummer GH-AMB-002-07 en een proces-verbaal van bevindingen met nummer GH-AMB-016-01 van 24 januari 2025. (...) Namens klaagster is aangevoerd dat de door de officier van justitie verspreide processen verbaal – in weerwil van de beslissing van de rechtbank van 3 december 2024 – te laat zijn verspreid, waardoor controle onnodig moeilijk is gemaakt. Daarnaast geven de ingestuurde processen-verbaal geen inzicht in het proces van het ‘uitgrijzen’, waardoor ook geen inzicht wordt verkregen in de daarmee samenhangende waarborgen.

Nu controle door de rechtbank en de verdediging niet mogelijk is, moeten de gegevens worden vernietigd. Daarnaast moet nader onderzoek worden verricht naar de toegang door het onderzoeksteam in de nog niet geschoonde accountantsdataset en door het horen van [verbalisant] , opsteller van het proces-verbaal met nummer GH-AMB-016-01. Ter zitting is namens klaagster verzocht tot aanhouding van de behandeling van het klaagschrift teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nader proces-verbaal op te laten maken over wie en wanneer toegang heeft gekregen tot welke gegevens in de verschillende datasets.

Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft de verantwoordelijkheid op zich genomen voor de te late verspreiding van de processen-verbaal. Dit maakt echter niet dat het klaagschrift gegrond moet worden verklaard. Uit de processen-verbaal blijkt immers wie toegang had tot de case en of er bestanden zijn bekeken. Daarnaast is er technisch gezien voldoende inzicht in de gehanteerde waarborgen en de waarborgen zoals die zijn nageleefd, zijn in lijn met de jurisprudentie van de Hoge Raad. Ter zitting heeft de officier van justitie te kennen gegeven bereid te zijn proces-verbaal op te laten maken om inzicht te geven in de inhoudelijke logbestanden, oftewel wie, wanneer toegang had tot welke gegevens en ook voor welke duur.

Beoordeling (...) Uit het door de officier van justitie verstrekte proces-verbaal van 7 januari 2025 (GH-AMB-002-07) wordt de inhoud beschreven van zogeheten ‘audit logs’, bestanden waarin is vastgelegd wanneer, wie, wat heeft gedaan in een bepaalde dataset. Hieruit blijkt dat medewerkers van het onderzoeksteam op verschillende momenten sinds 1 september 2020 toegang hebben gehad tot mogelijk verschoningsgerechtigde gegevens in drie verschillende datasets. In elk geval sinds 2 november 2021 zijn de autorisaties ingetrokken, waarna het onderzoeksteam geen toegang meer heeft gehad tot de bewuste datasets.

In het door de officier van justitie verstrekte proces-verbaal van 24 januari 2025 (GH-AMB-016-01) worden de werkafspraken uiteengezet die zijn gemaakt tussen de rechter-commissaris, het Openbaar Ministerie en (het onderzoeksteam van) de FIOD. Weliswaar wordt niet precies uiteengezet op welke wijze er wordt uitgegrijsd, maar deze procedure, waarbij door het plaatsen van een vinkje verschoningsgerechtigd materiaal ontoegankelijk wordt gemaakt, is bij de raadslieden bekend. Sterker nog, zij zijn actief betrokken geweest bij deze procedure, waarbij zij onder meer zelf zoektermen hebben aangedragen die konden bijdragen aan het opsporen van verschoningsgerechtigd materiaal in de datasets.

Uit de werkafspraken blijkt dat: - de projectleider van de FIOD zorgt voor een versleutelde onderzoeksomgeving en het aanvragen, dan wel intrekken van autorisaties; - leden van het onderzoeksteam geen toegang mogen hebben tot uitgegrijsde gegevens, dan wel; - (voormalig) geheimhoudersfunctionarissen geen deel uit kunnen (gaan) maken van het onderzoeksteam; - een forensisch IT-specialist van de FIOD de ontvangen data op de onderzoeksomgeving plaatst en inzichtelijk maakt; - bij het uitvoeren van de vorderingen bij [A] en [B] potentiële geheimhoudersstukken op een separate gegevensdrager worden verstrekt en dat deze gegevensdrager(s) is/zijn beveiligd met een aan een geheimhoudersfunctionaris te verstrekken wachtwoord; - het onderzoeksteam aanvankelijk, was geautoriseerd voor de overige data van [A] en [B] (de niet-geheimhoudersstukken), maar dat deze autorisaties op of omstreeks 2 november 2021 zijn vervallen.

Vanaf dat moment geldt dat autorisatie voor het onderzoeksteam met betrekking tot data van [A] , [B] en [medeklaagster] alleen mag worden verleend door de rechter-commissaris; - niet-uitgegrijsde gegevens slechts na toestemming van de officier van justitie ter beschikking worden gesteld aan het onderzoeksteam; - uitgegrijsde gegevens slechts na toestemming van de rechter-commissaris ter beschikking worden gesteld aan het onderzoeksteam. De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle voornoemde elementen de procedure rondom het uitgrijzen van verschoningsgerechtigd materiaal zowel technisch, als juridisch met voldoende waarborgen is omgeven.

Het komt er op neer dat het onderzoeksteam alleen toegang kan krijgen tot verschoningsgerechtigd materiaal met toestemming van de rechter-commissaris. De rechtbank zal het beklag dan ook ongegrond verklaren. De officier van justitie heeft reeds te kennen gegeven de inhoudelijke logbestanden te delen met de advocaten. De rechtbank zal de officier van justitie daarnaast opdracht geven de toekomstige inhoudelijke logbestanden toe te voegen aan het procesdossier ten behoeve van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak. Beslissing De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.

De rechtbank geeft de officier van justitie opdracht toekomstige logbestanden (tijdig) toe te voegen aan het procesdossier.” 2.3.1 Artikel 23 lid 1 Sv luidt: “De raadkamer is bevoegd de noodige bevelen te geven, opdat het onderzoek hetwelk aan hare beslissing moet voorafgaan, overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek zal plaats vinden.” 2.3.2 De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 15 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:578 onder meer overwogen: “Vernietiging van gegevens 3.4.1 Het openbaar ministerie draagt de verantwoordelijkheid voor de door de rechter-commissaris bevolen vernietiging van de gegevens.

Van zo’n vernietiging van gegevens is ook sprake als die gegevens niet meer kenbaar zijn door bewerking van de gegevensdrager of de digitale voorziening waarmee de gegevens raadpleegbaar zijn, waarbij de gekozen werkwijze zo moet zijn ingericht dat is verzekerd dat die gegevens geen deel uitmaken van de processtukken en dat daarop in het verdere verloop van het strafproces geen acht wordt geslagen (vgl., over de vernietiging als bedoeld in artikel 126aa lid 2 Sv, HR 20 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1257). 3.4.2 Om in een voorkomend geval rechterlijke controle mogelijk te maken op de manier van vernietiging in het licht van het onder 3.4.1 vermelde vereiste, moet van de vernietiging voldoende nauwkeurig verslag worden gedaan in een proces-verbaal.

In het bijzonder moet in het proces-verbaal inzicht worden gegeven in de manier waarop is gewaarborgd dat personen die op enigerlei wijze bij het opsporingsonderzoek betrokken (zullen) zijn op geen enkele wijze toegang kunnen krijgen tot de betreffende gegevens. (Vgl. HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375, rechtsoverweging 6.7.2.) 3.4.3 Als bij die vernietiging gebruik wordt gemaakt van technische voorzieningen, moeten deze zo zijn ingericht dat kan worden nagegaan of is voldaan aan het onder 3.4.1 bedoelde vereiste dat de gegevens niet meer kenbaar zijn, bijvoorbeeld door middel van een geautomatiseerde registratie waarbij wordt bijgehouden welke handelingen binnen het systeem hebben plaatsgevonden en door wie deze zijn verricht. (Vgl. HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375, rechtsoverweging 6.7.2.) Verzoek tot vernietiging van gegevens op grond van artikel 552a lid 2 Sv 3.5.1 Het wettelijk stelsel voorziet – naast de specifieke beklagmogelijkheid van artikel 98 lid 4 Sv voor een verschoningsgerechtigde – in de mogelijkheid van belanghebbenden om op grond van artikel 552a lid 2 Sv een verzoek te doen tot vernietiging van gegevens die zijn vastgelegd tijdens een doorzoeking als bedoeld in artikel 125i Sv of die op vordering zijn verstrekt.

Onder die belanghebbenden kunnen ook verschoningsgerechtigden worden begrepen. (Vgl., in relatie tot gevorderde gegevens, HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375, rechtsoverweging 6.3.5.) In de betreffende procedure kan de rechter, naar aanleiding van concreet aangeduide bezwaren van de belanghebbende, beoordelen of is voldaan aan het onder 3.4.1 bedoelde vereiste dat is verzekerd dat ‘uitgegrijsde’ als geheimhoudersinformatie aangemerkte gegevens geen deel uitmaken van de processtukken en dat daarop in het verdere verloop van het strafproces geen acht wordt geslagen (vgl., in relatie tot gevorderde gegevens, HR 20 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1257). 3.5.2 Gelet op de belangen die met het verschoningsrecht zijn gemoeid, brengt redelijke wetstoepassing mee dat een vergelijkbare procedure kan worden gevolgd met betrekking tot gegevens die zijn ontleend aan inbeslaggenomen gegevensdragers.

Daarvoor kan aansluiting worden gezocht bij de regeling van artikel 552a lid 2 Sv. Dat betekent dat een belanghebbende op grond van die bepaling kan verzoeken om de vernietiging van gegevens die zijn ontleend aan inbeslaggenomen gegevensdragers en die als geheimhoudersinformatie zijn aangemerkt, waarbij de rechter in geval van concreet aangeduide bezwaren van de belanghebbende kan beoordelen of is voldaan aan het onder 3.4.1 bedoelde vereiste. 3.5.3 Aan het verzoek als bedoeld in artikel 552a lid 2 Sv moeten concreet aangeduide feiten en omstandigheden ten grondslag worden gelegd die erop wijzen dat aan de bevolen vernietiging van de gegevens niet of in onvoldoende mate uitvoering is gegeven.

Als aan die stelplicht is voldaan moet de rechter, mede aan de hand van het onder 3.4.2 bedoelde proces-verbaal, beoordelen of voldoende aannemelijk is dat de geheimhoudersgegevens waarvan de vernietiging is bevolen op een zodanige manier zijn vernietigd dat is verzekerd dat die gegevens geen deel uitmaken van de processtukken en dat daarop in het verdere verloop van het strafproces geen acht wordt geslagen. Met het oog op die beoordeling kan de rechter zo nodig nader onderzoek opdragen aan de rechter-commissaris. Als de rechter oordeelt dat niet voldoende aannemelijk is dat is voldaan aan het onder 3.4.1 bedoelde vereiste, geeft de rechter op grond van artikel 23 lid 1 Sv het openbaar ministerie een bevel om nadere maatregelen te treffen waarmee is verzekerd dat wel aan dat vereiste is voldaan en daarvan verslag te doen. (...) Toetsing door de zittingsrechter 3.7.1 Als het openbaar ministerie overgaat tot vervolging in een zaak waarbij als geheimhoudersinformatie aangemerkte gegevens, waarvan een rechter heeft bevolen dat deze vernietigd moeten worden, zich toch in het dossier bevinden, is het volgende van belang. 3.7.2 De wet kent geen bepaling die de zittingsrechter bevoegd verklaart bewijsmateriaal dat naar zijn oordeel onrechtmatig is verkregen, alsnog uit de processtukken te doen verwijderen.

Dat is niet anders als sprake is van het ten onrechte niet vernietigen van verschoningsgerechtigde gegevens. (Vgl. HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3369, rechtsoverweging 3.13.1.) 3.7.3 De verdachte heeft wel de mogelijkheid in de strafzaak het verweer te voeren dat onderzoeksresultaten die door een vormverzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde feit. De verdachte kan zo’n verweer ook voeren op de grond dat het verschoningsrecht wordt geschonden doordat bij de uitvoering van de bevolen vernietiging niet is voldaan aan het onder 3.4.1 bedoelde vereiste.

Als de verdachte zo’n verweer voert en daarbij gemotiveerd aanvoert dat hij door het gebruik van de betreffende onderzoeksresultaten in zijn belangen is of zal worden aangetast, is de strafrechter gehouden op dat verweer te beslissen overeenkomstig artikel 359a Sv. Deze toetsing door de strafrechter vindt mede plaats aan de hand van het hiervoor onder 3.4.2 genoemde proces-verbaal van vernietiging. (Vgl., over de toetsing door de strafrechter van de manier waarop de selectie van gegevens heeft plaatsgevonden, HR 1 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1560, rechtsoverweging 3.4.5.)” 2.4 De rechtbank heeft het klaagschrift dat strekt tot vernietiging van gegevens ongegrond verklaard en heeft daarbij “ten behoeve van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak” aan de officier van justitie de opdracht gegeven toekomstige logbestanden (tijdig) toe te voegen aan het procesdossier.

Daarmee heeft de rechtbank miskend dat de wet er niet in voorziet dat de beklagrechter het openbaar ministerie zo’n opdracht geeft. Dat de beklagrechter, zoals onder 2.3.2 is overwogen, op grond van artikel 23 lid 1 Sv het openbaar ministerie het bevel kan geven om verslag te doen van de manier waarop de betreffende vernietiging heeft plaatsgevonden doet daaraan niet af, omdat die bevoegdheid ziet op bevelen met het oog op het onderzoek dat aan de beslissing van de beklagrechter vooraf gaat.Dit alles neemt niet weg dat het, ten behoeve van de voortgang van de zaak, van belang is dat informatie die verband houdt met de manier van vernietiging van geheimhoudersgegevens (of andersoortige gegevens), tijdig door het openbaar ministerie aan het dossier wordt toegevoegd.

Artikel 23 lid 1 Sv voorziet echter, zoals hiervoor overwogen, niet in de mogelijkheid dat de beklagrechter op voorhand daartoe een opdracht aan het openbaar ministerie geeft. 2.5 Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld. 3Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de beschikking van de rechtbank, maar uitsluitend wat betreft de beslissing het openbaar ministerie opdracht te geven toekomstige logbestanden (tijdig) toe te voegen aan het procesdossier; - verwerpt het beroep voor het overige. Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.

Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2026.