Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2026:1258 ECLI:NL:HR:2026:1258 AI generated

ECLI:NL:HR:2026:1258 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2026:1258
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/00145 Datum 14 juli 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 9 februari 2005, nummer 23-001120-04, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, hierna: de verdachte.

Legislator headnote

AI generated

artikel 359 lid 3 Sv; ECLI:NL:HR:2026:1258 · Hoge Raad: Het hof heeft aan de Hoge Raad bericht dat zo’n stuk niet is opgemaakt. 2.4 Op grond van artikel 359 lid 3 en 8 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) moet een uitspraak op straffe van nietigheid de bewijsmiddelen bevatten die de feiten en omstandigheden inhouden die redengevend zijn voor de bewezenverklaring, dan wel – voor zover artikel 359 lid 3 Sv dat toestaat – een opgave van bewijsmiddelen. Het “extract-arrest” van het hof voldoet niet aan dit vereiste en kan daarom niet in stand blijven. 2.5 Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.

Keywords

AI generated
artikel 359 lid 3 Sv

Cited Legislation

AI generated
artikel 359 lid 3 Sv

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/00145 Datum 14 juli 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 9 februari 2005, nummer 23-001120-04, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, hierna: de verdachte.

1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat S.F.W. van ’t Hullenaar bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan. 2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt dat het hof in zijn uitspraak niet de gebruikte bewijsmiddelen heeft opgenomen. 2.2 Bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden, bevindt zich een “extract-arrest” van het hof dat niet de bewijsmiddelen bevat. 2.3 De raadsman van de verdachte heeft op grond van artikel 4.3.6.3 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden verzocht om toezending van het arrest van het hof met (een aanvulling op het arrest met) bewijsmiddelen.

Het hof heeft aan de Hoge Raad bericht dat zo’n stuk niet is opgemaakt. 2.4 Op grond van artikel 359 lid 3 en 8 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) moet een uitspraak op straffe van nietigheid de bewijsmiddelen bevatten die de feiten en omstandigheden inhouden die redengevend zijn voor de bewezenverklaring, dan wel – voor zover artikel 359 lid 3 Sv dat toestaat – een opgave van bewijsmiddelen. Het “extract-arrest” van het hof voldoet niet aan dit vereiste en kan daarom niet in stand blijven. 2.5 Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.

3Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig. 4Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof; - wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juli 2026.