ECLI:NL:HR:2026:1231 · Hoge Raad
Legislator summary
AI generatedHOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 26/00061 Br Datum 14 juli 2026 BESCHIKKING op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Limburg van 12 augustus 2025, nummer RK 25/013282, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door [klager] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, hierna: de klager.
Legislator headnote
AI generatedartikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, artikel 98 lid 4 Sv; ECLI:NL:HR:2026:1231 · Hoge Raad: HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 26/00061 Br Datum 14 juli 2026 BESCHIKKING op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Limburg van 12 augustus 2025, nummer RK 25/013282, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door [klager] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, hierna: de klager.
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedCited Case Law
AI generatedFull text
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 26/00061 Br Datum 14 juli 2026 BESCHIKKING op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Limburg van 12 augustus 2025, nummer RK 25/013282, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door [klager] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, hierna: de klager.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze hebben de advocaten T.H.L. Kneepkens en M.D. Rijnsburger bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal P.T.C. van Kampen heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het cassatieberoep. 2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep 2.1 Het cassatiemiddel klaagt over de niet-ontvankelijkverklaring door de rechtbank van het namens de klager ingediende klaagschrift, zoals bedoeld in artikel 5.4.10 in samenhang met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (hierna:
Sv). 2.2 Het procesverloop in deze zaak is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2. Daaruit volgt, kort gezegd, dat in het kader van de uitvoering van een Europees onderzoeksbevel stukken in beslag zijn genomen onder [naam 1] . De klager heeft naar aanleiding van deze inbeslagneming op 8 maart 2023 het in het cassatiemiddel bedoelde klaagschrift ingediend en op 5 juni 2024 een klaagschrift zoals bedoeld in artikel 98 lid 4 Sv. Strekking van beide klaagschriften is, voor zover hier van belang, dat de inbeslaggenomen stukken met de beslagnummers A.01.04.001, A.01.04.003, A.01.05.002 en A.01.05.003 onder het verschoningsrecht van de klager (een advocaat) vallen. 2.3 De rechtbank heeft beide klaagschriften gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld en bij afzonderlijke beschikkingen uitspraak gedaan op die klaagschriften.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het in het cassatiemiddel bedoelde klaagschrift niet-ontvankelijk is en heeft het klaagschrift zoals bedoeld in artikel 98 lid 4 Sv ongegrond verklaard. 2.4 De Hoge Raad heeft bij beschikking van vandaag, ECLI:NL:HR:2026:1230 (25/04301 Bv), het cassatieberoep tegen de beschikking op het op grond van artikel 98 lid 4 Sv ingediende klaagschrift van 5 juni 2024 verworpen, waardoor in die zaak onherroepelijk is beslist dat de onder 2.2 bedoelde voorwerpen niet onder het verschoningsrecht van de klager vallen . Gelet daarop kan in deze procedure naar aanleiding van het klaagschrift van 8 maart 2023 geen andere beslissing meer volgen ten aanzien van deze voorwerpen.
Dit brengt mee dat de klager geen belang meer heeft bij het beklag en daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het cassatieberoep. Het cassatiemiddel, waarin wordt opgekomen tegen die beslissing, moet daarom buiten bespreking blijven. 3Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze beschikking is gegeven door de raadsheer A.L.J. van Strien als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juli 2026.