Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2026:1187 ECLI:NL:HR:2026:1187 AI generated

ECLI:NL:HR:2026:1187 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2026:1187
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/01914 Datum 14 juli 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 mei 2024, nummer 21-000751-18, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989, hierna: de verdachte.

Legislator headnote

AI generated

art. 6 EVRM, artikel 6 lid 1 EVRM; ECLI:NL:HR:2026:1187 · Hoge Raad: Deze pleitnota houdt onder meer in: “Straf Verzoek tot oplegging van een straf die qua onvoorwaardelijk deel de duur van de voorlopige hechtenis (5 maanden) niet te boven gaat, aangevuld met een voorwaardelijk deel en eventueel aangevuld met een taakstraf gelet op: (...) De zeer forse overschrijding van de redelijke termijn in de zin van art. 6 EVRM (...) 21/000751-18 Rechtsmiddel aangewend op 5 februari 2018. Overschrijding van de redelijke termijn met meer dan vier jaren. De overschrijding kan niet toegeschreven worden aan enig handelen van cliënt of de complexiteit van de zaak.” 2.3 Gelet op wat de raadsvrouw heeft aangevoerd over de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, had het hof hierover een gemotiveerde beslissing moeten nemen.

Keywords

AI generated
art. 6 EVRM artikel 6 lid 1 EVRM

Cited Legislation

AI generated
art. 6 EVRM
artikel 6 lid 1 EVRM
Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM ook in de cassatieprocedure is overschreden.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/01914 Datum 14 juli 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 mei 2024, nummer 21-000751-18, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989, hierna: de verdachte.

1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Kuijper bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het cassatiemiddel en ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof 2.1 Het cassatiemiddel klaagt dat het hof niet heeft beslist op het verweer van de raadsvrouw van de verdachte over de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. 2.2.1 Namens de verdachte is op 5 februari 2018 hoger beroep ingesteld, waarna het hof op 1 mei 2024 uitspraak heeft gedaan. 2.2.2 Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 april 2024 heeft de raadsvrouw van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota.

Deze pleitnota houdt onder meer in: “Straf Verzoek tot oplegging van een straf die qua onvoorwaardelijk deel de duur van de voorlopige hechtenis (5 maanden) niet te boven gaat, aangevuld met een voorwaardelijk deel en eventueel aangevuld met een taakstraf gelet op: (...) De zeer forse overschrijding van de redelijke termijn in de zin van art. 6 EVRM (...) 21/000751-18 Rechtsmiddel aangewend op 5 februari 2018. Overschrijding van de redelijke termijn met meer dan vier jaren. De overschrijding kan niet toegeschreven worden aan enig handelen van cliënt of de complexiteit van de zaak.” 2.3 Gelet op wat de raadsvrouw heeft aangevoerd over de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, had het hof hierover een gemotiveerde beslissing moeten nemen.

Omdat zo’n beslissing in de uitspraak van het hof ontbreekt, is het cassatiemiddel terecht voorgesteld. 2.4 De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) bij de behandeling van de zaak in hoger beroep is overschreden. Daarnaast doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep.

Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM ook in de cassatieprocedure is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van zestig uren, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn zowel bij de behandeling van de zaak in hoger beroep als in de cassatieprocedure is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dit oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. 3Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B.

Trotman en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juli 2026.