Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2026:1179 ECLI:NL:HR:2026:1179 AI generated

ECLI:NL:HR:2026:1179 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2026:1179
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 22/04601 Datum 7 juli 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 december 2022, nummer 20-002168-17, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986, hierna: de verdachte.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2026:1179 · Hoge Raad: Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat H.M.W. Daamen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing over het onder 6 tenlastegelegde voorhanden hebben van munitie van categorie III en de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van het onder 6 tenlastegelegde voorhanden hebben van munitie van categorie III, tot vermindering van de duur van de gevangenisstraf aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 22/04601 Datum 7 juli 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 december 2022, nummer 20-002168-17, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986, hierna: de verdachte.

1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat H.M.W. Daamen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing over het onder 6 tenlastegelegde voorhanden hebben van munitie van categorie III en de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van het onder 6 tenlastegelegde voorhanden hebben van munitie van categorie III, tot vermindering van de duur van de gevangenisstraf aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3Beoordeling van het tweede cassatiemiddel 3.1 Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. 3.2 Het cassatiemiddel is gegrond.

Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zes jaren. 4Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof 4.1 Op grond van wat is vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4 is de Hoge Raad van oordeel dat het onder 6 tenlastegelegde feit is verjaard voor zover dat betrekking heeft op het voorhanden hebben van munitie van categorie III. 4.2 De Hoge Raad zal wat betreft feit 6, voor zover dat betrekking heeft op het voorhanden hebben van munitie van categorie III, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.

Voor het verminderen van de duur van de opgelegde gevangenisstraf bestaat onvoldoende grond, omdat de aard en de ernst van wat overigens ten laste van de verdachte is bewezenverklaard niet worden aangetast door deze gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring. 5Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof en de uitspraak van de rechtbank Limburg van 7 juli 2017 wat betreft de beslissingen over het onder 6 tenlastegelegde voorhanden hebben van munitie van categorie III; - verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging wat betreft het onder 6 tenlastegelegde voorhanden hebben van munitie van categorie III; - vernietigt de uitspraak van het hof verder wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf; - vermindert deze in die zin dat deze vijf jaren en zes maanden beloopt; - verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2026.