Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2025:98 ECLI:NL:HR:2025:98 AI generated

ECLI:NL:HR:2025:98 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2025:98
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 22/04595 Datum 17 januari 2025 ARREST in de zaak van [X] B.V. (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 1 november 2022, nrs. 21/00235 tot en met 21 /00238, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 19/2407 tot en met HAA 19/2410) betreffende aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting over elk van de jaren 2013 tot en met 2016. 1Geding in cassatie 1.1 Belanghebbende, vertegenwoordigd door J.F.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2025:98 · Hoge Raad: (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 1 november 2022, nrs. 21/00235 tot en met 21 /00238, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 19/2407 tot en met HAA 19/2410) betreffende aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting over elk van de jaren 2013 tot en met 2016. 1Geding in cassatie 1.1 Belanghebbende, vertegenwoordigd door J.F.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2025:8
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 22/04594 Datum 17 januari 2025 ARREST in de zaak van de vennootschap onder firma [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 1 november 2022, nrs. 21/00232 en 21/00233, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland, (nr. HAA 18/4800 en HAA 18/4801) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over de periode 2013 tot en met 2016 en een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het jaar 2017. 1Geding in cassatie 1.1 Belanghebbende, vertegenwoordigd door J.F.
ECLI:NL:GHAMS:2022:3636
GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerken 21/00235 tot en met 21/00238 1 november 2022 uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, tegen de uitspraak van 17 februari 2021 in de zaak met kenmerken HAA 19/2407 tot en met HAA 19/2410 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen [X BV] , gevestigd te [Z], belanghebbende, gemachtigde: mr. J.F. Karamat Ali en de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 27 december 2017 aan belanghebbende over de navolgende tijdvakken de volgende naheffingsaanslagen omzetbelasting en beschikkingen rente en boetes opgelegd. tijdvak omzetbelasting boete rente 2013 € 11.601 € 1.160 € 1.840 2014 € 21.878 € 2.187 € 2.649 2015 € 14.922 € 1.492 € 1.210 2016 € 16.161 € 1.616 € 664 1.2.
ECLI:NL:HR:2022:1657
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 21/03370 Datum 18 november 2022 ARREST in de zaak van [X] B.V.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 22/04595 Datum 17 januari 2025 ARREST in de zaak van [X] B.V. (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 1 november 2022, nrs. 21/00235 tot en met 21 /00238, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 19/2407 tot en met HAA 19/2410) betreffende aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting over elk van de jaren 2013 tot en met 2016. 1Geding in cassatie 1.1 Belanghebbende, vertegenwoordigd door J.F.

Karamat-Ali, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. 1.2 Belanghebbende heeft verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade in het geval de procedure dusdanig lang duurt dat daarmee spanning en frustratie bij belanghebbende wordt verondersteld. 2Beoordeling van de middelen 2.1 De middelen slagen in zoverre op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 4.2 tot en met 4.4 van het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 22/04594, ECLI:NL:HR:2025:8. 2.2.1 Gelet op hetgeen hiervoor in 2.1 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven.

De middelen voor het overige behoeven geen behandeling. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. 2.2.2 De stukken van het geding laten geen andere slotsom toe dan dat de door belanghebbende aangeboden dienstverlening, als geheel genomen, uitsluitend verband houdt met de beoefening van sport, waaronder het ontvangen van de nodige instructie in een accommodatie, begeleiding, en het gebruik van kleedruimten ter voorbereiding op het eigenlijke sporten. Deze dienstverlening valt daarom binnen de reikwijdte van post b.3 van de bij de Wet op de omzetbelasting 1968 behorende Tabel I.

De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd. 3Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure 3.1 Belanghebbende heeft de Hoge Raad verzocht om bij overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep, de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade. 3.2 In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 7 december 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met niet meer dan zes maanden.

Aan belanghebbende komt daarom een vergoeding van immateriële schade toe van € 500. 4Proceskosten 4.1 De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur zal worden veroordeeld in de kosten van het geding voor het Hof. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met de nummers 22/04594 en 22/04595 zowel in de cassatieprocedure als in hoger beroep met elkaar samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht. 4.2 Gelet op artikel VI van de Ministeriële regeling van 8 november 2024 en de op die regeling gegeven toelichting moeten de hiervoor in 4.1 bedoelde vergoedingen worden berekend naar de waarde per punt zoals deze ten tijde van het wijzen van dit arrest geldt, dat wil zeggen naar een waarde per punt van € 907. 5Beslissing De Hoge Raad: - verklaart het beroep in cassatie gegrond, - vernietigt de uitspraak van het Hof, - bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, - veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de aan de cassatieprocedure toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 500, - draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 548, - veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op de helft van € 3.628, oftewel € 1.814, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, - veroordeelt de Inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op de helft van € 1.814, oftewel € 907, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en - draagt de Inspecteur op aan het Hof het griffierecht te betalen voor de behandeling van het hoger beroep van € 541.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2025. ECLI:NL:GHAMS:2022:3636. Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 8 november 2024, nr. 5868220, tot indexering van bedragen in de Algemene wet bestuursrecht, het Besluit proceskosten bestuursrecht en de Wet griffierechten burgerlijke zaken, Stcrt. 2024, 38002. Vgl. HR 18 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1657, rechtsoverweging 2.7.3.