Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2025:973 ECLI:NL:HR:2025:973 AI generated

ECLI:NL:HR:2025:973 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2025:973
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 25/00196 Datum 20 juni 2025 BESCHIKKING In de zaak van [betrokkene], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, hierna: betrokkene, advocaat: J.A.J. Leeman, tegen DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM, VERWEERDER in cassatie, hierna: de officier van justitie, niet verschenen. 1Procesverloop Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/13/757853 / FA RK 24/6845 van de rechtbank Amsterdam van 21 oktober 2024. Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2025:973 · Hoge Raad: Het onderdeel klaagt onder meer dat uit de bestreden beschikking niet blijkt dat betrokkene behoorlijk is opgeroepen voor de mondelinge behandeling, zoals op grond van art. 6:1 Wvggz is vereist. 3.1.2 Art. 6:1 lid 1 Wvggz bepaalt dat de rechter de betrokkene hoort na ontvangst van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging, tenzij de rechter vaststelt dat de betrokkene niet in staat is of niet bereid is zich te doen horen. Het gaat hier om meer dan hetgeen reeds voortvloeit uit het fundamentele beginsel van een behoorlijke rechtspleging dat iedere partij de gelegenheid moet krijgen om haar standpunt naar voren te brengen voordat de rechter een beslissing neemt.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBAMS:2024:6447
beschikking RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd zaaknummer / rekestnummer: C/13/757853 / FA RK 24/6845 kenmerk: ZM/IND/145368 Machtiging tot het verlenen van verplichte zorg Beschikking van 21 oktober 2024 van de rechtbank Amsterdam naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van: [betrokkene], geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , zorgaanbieder, Arkin, hierna te noemen: betrokkene, advocaat: mr.
ECLI:NL:HR:2024:1890
vastgesteld dat betrokkene niet bij de mondelinge behandeling aanwezig wilde zijn, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat de bereidheid van betrokkene om zich te doen horen, bijvoorbeeld in zijn woon- of verblijfplaats, ontbrak. 4Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 11 april 2024; - wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing. Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 20 december 2024. HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1104, rov.
ECLI:NL:HR:2024:1721
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 24/02680 Datum 22 november 2024 BESCHIKKING In de zaak van [betrokkene], wonende te [woonplaats], VERZOEKSTER tot cassatie, hierna: betrokkene, advocaat: E.F.A.
ECLI:NL:HR:2024:1140
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 24/01489 Datum 6 september 2024 BESCHIKKING In de zaak van [betrokkene], wonende te [woonplaats], VERZOEKSTER tot cassatie, hierna: betrokkene, advocaat: F.W.E.
ECLI:NL:HR:2017:770
21 april 2017 Eerste Kamer 16/06226 LZ/IF Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [betrokkene],wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr.
ECLI:NL:HR:2023:316
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummers 22/03342 en 22/03432 Datum 24 februari 2023 BESCHIKKING In de zaken met nummers 22/03342 en 22/03432 van [betrokkene], verblijvende te [verblijfplaats], VERZOEKER tot cassatie, hierna: betrokkene, advocaat: G.E.M. Later, tegen DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT ROTTERDAM, VERWEERDER in cassatie, hierna: de officier van justitie, niet verschenen. 1Procesverloop Voor het verloop van de gedingen in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar a. de beschikking in de zaak C/10/638464 / FA RK 22-3443 van de rechtbank Rotterdam van 31 mei 2022; b. de beschikking in de zaak C/09/630084 / FA RK 22-3419 van de rechtbank Den Haag van 9 juni 2022; c. de beschikking in de zaak C/10/638464 / FA RK 22-3443 van de rechtbank Rotterdam van 22 juni 2022.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 25/00196 Datum 20 juni 2025 BESCHIKKING In de zaak van [betrokkene], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, hierna: betrokkene, advocaat: J.A.J. Leeman, tegen DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM, VERWEERDER in cassatie, hierna: de officier van justitie, niet verschenen. 1Procesverloop Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/13/757853 / FA RK 24/6845 van de rechtbank Amsterdam van 21 oktober 2024. Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.

De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend. De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking van de rechtbank Amsterdam van 21 oktober 2024 en tot terugwijzing. 2Uitgangspunten en feiten 2.1 Ten aanzien van betrokkene was een zorgmachtiging verleend tot en met 21 november 2024. 2.2 De officier van justitie heeft verzocht om verlening van een aansluitende zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:4 Wvggz in verbinding met art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz voor de duur van twaalf maanden voor diverse vormen van verplichte zorg. 2.3 Op de mondelinge behandeling is betrokkene niet verschenen. 2.4 De rechtbank heeft ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend voor de duur van zes maanden, tot en met 21 april 2025, voor de in de beschikking bepaalde vormen van zorg, en het meer of anders verzochte afgewezen.

Voor zover in cassatie van belang heeft de rechtbank als volgt overwogen: “Betrokkene is niet verschenen. De advocaat heeft geen contact kunnen krijgen met betrokkene en de ter zitting aanwezige behandelaars hebben verklaard dat zij sinds september 2024 geen contact meer hebben gehad met betrokkene. (…) De rechtbank heeft besloten de behandeling van het onderhavige verzoek buiten aanwezigheid van betrokkene voort te zetten omdat er uit het dossier en het verhandelde ter zitting een ernstig beeld naar voren komt en hij vorig jaar nog heeft ingestemd met een zorgmachtiging middels een referteverklaring.” 3Beoordeling van het middel 3.1.1 Onderdeel 1 van het middel komt op tegen de beslissing van de rechtbank om de behandeling van het verzoek buiten aanwezigheid van betrokkene voort te zetten.

Het onderdeel klaagt onder meer dat uit de bestreden beschikking niet blijkt dat betrokkene behoorlijk is opgeroepen voor de mondelinge behandeling, zoals op grond van art. 6:1 Wvggz is vereist. 3.1.2 Art. 6:1 lid 1 Wvggz bepaalt dat de rechter de betrokkene hoort na ontvangst van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging, tenzij de rechter vaststelt dat de betrokkene niet in staat is of niet bereid is zich te doen horen. Het gaat hier om meer dan hetgeen reeds voortvloeit uit het fundamentele beginsel van een behoorlijke rechtspleging dat iedere partij de gelegenheid moet krijgen om haar standpunt naar voren te brengen voordat de rechter een beslissing neemt.

Ook dient immers zoveel mogelijk gewaarborgd te zijn dat aan iemand niet verplichte zorg kan worden opgelegd zonder dat hij, zo hij dit wenst, zelf door de rechter wordt gehoord. Het is tegen deze achtergrond dat de onderzoeksplicht van de rechter naar de bereidheid van de betrokkene om zich te doen horen en de motivering van zijn vaststelling dat die bereidheid niet aanwezig was, moeten worden beoordeeld. Dit brengt mee dat de rechter die van oordeel is dat deze bereidheid ontbrak, dit in zijn beschikking dient vast te stellen en dat hij de gronden dient te vermelden waarop dat oordeel berust.

Niet noodzakelijk is evenwel dat de rechter vaststelt dat de betrokkene heeft verklaard voormelde bereidheid te missen. Voldoende is dat dit naar het oordeel van de rechter kan worden afgeleid uit de wijze waarop de betrokkene zich heeft gedragen, in het bijzonder ook bij de door de rechter aangewende pogingen om de betrokkene in zijn woon- of verblijfplaats te horen op de voet van art. 6:1 lid 2 Wvggz. 3.1.3 De vaststelling dat de niet op de mondelinge behandeling verschenen betrokkene niet bereid is zich te doen horen als bedoeld in art. 6:1 lid 1 Wvggz, veronderstelt in de eerste plaats dat de betrokkene bekend is met de plaats en het tijdstip van de mondelinge behandeling.

Uitgangspunt is dat de betrokkene voor die mondelinge behandeling behoorlijk wordt opgeroepen door de griffier overeenkomstig het bepaalde in art. 6:1 lid 10 Wvggz in verbinding met de art. 272 e.v. Rv. Niet uitgesloten is echter dat de betrokkene langs andere weg op de hoogte is gesteld van of bekend is geraakt met de plaats en het tijdstip van de mondelinge behandeling. 3.1.4 Uit de bestreden beschikking en de overige stukken van het geding blijkt niet dat de rechtbank heeft onderzocht of betrokkene behoorlijk was opgeroepen voor de mondelinge behandeling.

Evenmin heeft de rechtbank vastgesteld dat betrokkene langs andere weg bekend was met de plaats en het tijdstip van de mondelinge behandeling. Door niettemin de behandeling van het verzoek buiten aanwezigheid van betrokkene voort te zetten, heeft de rechtbank in strijd gehandeld met het bepaalde in art. 6:1 lid 1 Wvggz. De hiervoor in 3.1.1 weergegeven klacht slaagt dan ook. 3.2 De overige klachten van het middel, waaronder die van onderdeel 2 over de medische verklaring, behoeven geen behandeling. 4Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 21 oktober 2024; - wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren S.J. Schaafsma en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 20 juni 2025. Rechtbank Amsterdam 21 oktober 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:6447. Zie onder meer HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1890, rov. 3.2, HR 22 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1721, rov. 3.2, HR 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1140, rov. 3.2. Vgl. onder de Wet Bopz (oud) HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:770, rov. 3.3.3, en onder de Wvggz HR 24 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:316, rov. 3.3.2-3.3.3.