Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2025:93 ECLI:NL:HR:2025:93 AI generated

ECLI:NL:HR:2025:93 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2025:93
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 23/02246 Datum 17 januari 2025 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 11 april 2023, nr. 22/00136, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van het Gerechtshof van 2 augustus 2022 betreffende een ten aanzien van belanghebbende genomen besluit ingevolge de Wet op de huurtoeslag en de daarbij in rekening gebrachte rente. De uitspraak van het Hof op het verzet is aan dit arrest gehecht.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:75a Awb; ECLI:NL:HR:2025:93 · Hoge Raad: Volgens het Hof geldt ditzelfde voor een – na intrekking van het beroep tegen een dergelijk besluit – gedane uitspraak van de rechtbank op de voet van artikel 8:75a Awb. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat het zich bij de in verzet bestreden uitspraak terecht onbevoegd heeft verklaard om van het bij hem ingestelde hoger beroep kennis te nemen, ook indien het (aanvankelijke) geschil – zoals belanghebbende betoogt – betrekking heeft op door de Belastingdienst/Toeslagen in rekening gebrachte rente. 2.2 De klachten falen voor zover zij zich richten tegen de hiervoor in 2.1 weergegeven oordelen.

Keywords

AI generated
artikel 8:75a Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:75a Awb
Volgens het Hof geldt ditzelfde voor een – na intrekking van het beroep tegen een dergelijk besluit – gedane uitspraak van de rechtbank op de voet van artikel 8:75a Awb.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 23/02246 Datum 17 januari 2025 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 11 april 2023, nr. 22/00136, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van het Gerechtshof van 2 augustus 2022 betreffende een ten aanzien van belanghebbende genomen besluit ingevolge de Wet op de huurtoeslag en de daarbij in rekening gebrachte rente. De uitspraak van het Hof op het verzet is aan dit arrest gehecht.

1Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A. van Velsen, heeft tegen de uitspraak van het Hof op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. 2Beoordeling van de klachten 2.1 Het Hof heeft geoordeeld dat noch tegen een uitspraak van de rechtbank over het recht op huurtoeslag, noch tegen een uitspraak van de rechtbank over door de Belastingdienst/Toeslagen in rekening gebrachte rente, hoger beroep openstaat bij het gerechtshof.

Volgens het Hof geldt ditzelfde voor een – na intrekking van het beroep tegen een dergelijk besluit – gedane uitspraak van de rechtbank op de voet van artikel 8:75a Awb. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat het zich bij de in verzet bestreden uitspraak terecht onbevoegd heeft verklaard om van het bij hem ingestelde hoger beroep kennis te nemen, ook indien het (aanvankelijke) geschil – zoals belanghebbende betoogt – betrekking heeft op door de Belastingdienst/Toeslagen in rekening gebrachte rente. 2.2 De klachten falen voor zover zij zich richten tegen de hiervoor in 2.1 weergegeven oordelen.

Het Hof heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het onbevoegd is te oordelen over een door de Belastingdienst/Toeslagen (nu: Dienst Toeslagen) genomen besluit inzake het recht op huurtoeslag en daarmee verband houdende nevenbeschikkingen. 2.3 De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 4Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2025.