Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2025:90 ECLI:NL:HR:2025:90 AI generated

ECLI:NL:HR:2025:90 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2025:90
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/01216 Datum 17 januari 2025 ARREST in de zaak van het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE ROTTERDAM tegen [X] (hierna: belanghebbende) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 15 februari 2024, nrs. BK-23/233 en BK-23/234, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nrs. ROT 22/478 en ROT 22/479) betreffende aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de parkeerbelasting.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2025:90 · Hoge Raad: Hof 3.1 Voor het Hof was in geschil of op de hiervoor in 2.2 bedoelde data, toen het busje stil stond, sprake was van parkeren of van onmiddellijk laden en lossen als bedoeld in de Verordening. 3.2 Het Hof heeft vooropgesteld dat onder het begrip “onmiddellijk laden en lossen” moet worden verstaan het bij voortduring inladen of uitladen van zaken van enige omvang of enig gewicht, onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht en gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Het moet gaan om zaken van een zodanige omvang of gewicht dat zij niet of bezwaarlijk op een andere wijze dan per voertuig ter plaatse kunnen worden gehaald of gebracht.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2014:445
7 maart 2014 nr. 13/01494 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 februari 2013, nr. 12/00644, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Arnhem (nr. AWB 12/1372) betreffende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting.
ECLI:NL:HR:1999:AA2760
Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is ter zake van het parkeren op 22 oktober 1994 een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Amsterdam opgelegd ten bedrage van ƒ 62,50 bestaande uit ƒ 4,-- aan enkelvoudige belasting en ƒ 58,50 aan kosten terzake van het opleggen van die aanslag. Tevens is bij beschikking een bedrag van ƒ 60,-- van belanghebbende gevorderd ter zake van de kosten van het aanbrengen en verwijderen van een wielklem. De aanslag en de beschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Directeur van de dienst Parkeerbeheer van de gemeente Amsterdam (hierna: de Directeur) gehandhaafd. Belanghebbende is van die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd.
ECLI:NL:GHDHA:2024:255
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht enkelvoudige kamer nummers BK-23/233 en BK-23/234 Uitspraak van 15 februari 2024 in het geding tussen: de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, de Heffingsambtenaar, (vertegenwoordiger: […] ) en [X] te [Z] , belanghebbende, op het hoger beroep van de Heffingsambtenaar tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 16 januari 2023, nummers ROT 22/478 en 22/479. Procesverloop 1.1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 23 september 2021 een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Rotterdam (de gemeente) opgelegd ten bedrage van € 67,06, bestaande uit € 1,76 parkeerbelasting en € 65,30 kosten voor het opleggen van de naheffingsaanslag. 1.1.2.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/01216 Datum 17 januari 2025 ARREST in de zaak van het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE ROTTERDAM tegen [X] (hierna: belanghebbende) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 15 februari 2024, nrs. BK-23/233 en BK-23/234, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nrs. ROT 22/478 en ROT 22/479) betreffende aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de parkeerbelasting.

1Geding in cassatie

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 2Uitgangspunten in cassatie 2.1 Belanghebbende levert pakketten met groente en fruit. Hiervoor rijden busjes rond om bij haar klanten de pakketten af te leveren en de lege verpakkingen van eerder afgeleverde pakketten terug te nemen. 2.2 De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende twee naheffingsaanslagen in de parkeerbelasting opgelegd omdat een busje van belanghebbende op 10 respectievelijk 22 september 2021 stil stond op een parkeerplaats die was aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting kan worden geparkeerd, terwijl tijdens een controle met een scanauto is geconstateerd dat op het moment van de controle geen parkeerbelasting was voldaan. 2.3 Ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslagen was de heffing van parkeerbelasting in de gemeente Rotterdam gereguleerd in de gemeentelijke Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen 2021 (hierna: de Verordening).

Volgens artikel 1 van de Verordening wordt onder parkeren verstaan: “gedurende een aaneengesloten periode doen of laten stilstaan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het (...) onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden”. Deze bepaling is vrijwel gelijkluidend aan artikel 225, lid 2, van de Gemeentewet.

3De oordelen van het

Hof 3.1 Voor het Hof was in geschil of op de hiervoor in 2.2 bedoelde data, toen het busje stil stond, sprake was van parkeren of van onmiddellijk laden en lossen als bedoeld in de Verordening. 3.2 Het Hof heeft vooropgesteld dat onder het begrip “onmiddellijk laden en lossen” moet worden verstaan het bij voortduring inladen of uitladen van zaken van enige omvang of enig gewicht, onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht en gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Het moet gaan om zaken van een zodanige omvang of gewicht dat zij niet of bezwaarlijk op een andere wijze dan per voertuig ter plaatse kunnen worden gehaald of gebracht.

Daarbij heeft het Hof verwezen naar de arresten van de Hoge Raad van 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:445 en 12 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2760. 3.3 Het Hof heeft vervolgens vastgesteld dat een medium ‘combibox’ van het type dat belanghebbende levert, 1.200 tot 1.500 gram groenten bevat en daarnaast een ‘bijgroente’ en fruit voor twee personen voor drie dagen, dat het grootste pakket 3.200 tot 4.000 gram groente bevat en daarnaast ‘bijgroenten’ voor vier personen voor vier dagen, en dat een fruitpakket in totaal 2 à 2,5 kilo weegt en in combinatie met een groentepakket kan worden besteld.

Verder heeft het Hof vastgesteld dat de bestellingen kunnen worden aangevuld met andere producten uit de webwinkel van belanghebbende, dat het formaat van de kistjes waarin de pakketten worden geleverd 40 bij 31 cm is en dat de hoogte van de kistjes afhangt van de bestelling en minimaal 10,5 cm is. 3.4 Het Hof heeft geoordeeld dat de pakketten die belanghebbende bezorgt van een zodanige omvang of gewicht zijn dat zij niet of bezwaarlijk anders dan per auto kunnen worden gebracht. Daaraan heeft het Hof ten grondslag gelegd dat bezorging per fiets of bromfiets van de pakketten niet realistisch is, zeker niet nu belanghebbende ook lege verpakkingen terugneemt.

Verder moet volgens het Hof rekening worden gehouden met het feit dat belanghebbende ook pakketten ter bezorging bij andere klanten bij zich had. Het bezorgen van de pakketten en het terugnemen van lege verpakkingen kan ook om die reden bezwaarlijk anders dan per auto worden uitgevoerd. Dat geldt ook in het geval zich daartussen pakketten bevinden die afzonderlijk beschouwd ook op een andere wijze dan per auto hadden kunnen worden gebracht, aldus het Hof. 4Beoordeling van het middel 4.1 Het middel bestrijdt het hiervoor in 3.4 bedoelde oordeel van het Hof.

Het betoogt daartoe onder meer dat het Hof zijn oordeel ten onrechte niet heeft gebaseerd op datgene wat op het moment van de controle daadwerkelijk is gelost en geladen, maar slechts op hetgeen belanghebbende in zijn algemeenheid over het afleveren van pakketten heeft aangevoerd. Verder betoogt het middel dat het Hof ten onrechte rekening heeft gehouden met het feit dat zich in het busje van belanghebbende ook pakketten bevonden die bestemd waren voor aflevering op andere adressen. 4.2 In zoverre slaagt het middel. Voor de beantwoording van de vraag in hoeverre het doen of laten stilstaan van een voertuig nodig is voor het onmiddellijk laden of lossen van zaken in de zin van artikel 225, lid 2, van de Gemeentewet en de op dit punt gelijkluidende Verordening, moet worden beoordeeld of de gedurende het stilstaan van het voertuig te laden of te lossen zaken van een zodanige omvang of gewicht zijn, dat zij niet of bezwaarlijk op een andere wijze dan per voertuig ter plaatse kunnen worden gehaald of gebracht.

Het is dus niet van belang of zich in het voertuig andere zaken bevinden, hebben bevonden of zullen bevinden die op een andere plaats zijn of zullen worden geladen of gelost. Het Hof heeft dit miskend. 4.3 De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De overige klachten behoeven geen behandeling. Verwijzing moet volgen aangezien niet zonder meer uit de gedingstukken volgt hoeveel pakketten van welke omvang en welk gewicht zijn geladen of gelost op elk van beide plaatsen waar de auto stilstond. 4.4 Met het oog op de procedure na verwijzing overweegt de Hoge Raad nog het volgende.

Op de heffingsambtenaar rusten de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het feit dat een voertuig heeft stilgestaan op een daartoe door het college van burgemeester en wethouders aangewezen plaats, zonder dat de daarvoor verschuldigde parkeerbelasting is voldaan. In dit geval is niet in geschil dat de heffingsambtenaar dit bewijs heeft geleverd. Indien de belanghebbende, zoals in dit geval, zich erop beroept dat geen parkeerbelasting is verschuldigd omdat sprake was van onmiddellijk laden en lossen van goederen, rusten de stelplicht en de bewijslast met betrekking tot de daarvoor benodigde feiten op die belanghebbende. 5Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 6Beslissing De Hoge Raad: - verklaart het beroep in cassatie gegrond, - vernietigt de uitspraak van het Hof, en - verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met in achtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.A.J. Lafleur, en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2025. ECLI:NL:GHDHA:2024:255.