Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2025:853 ECLI:NL:HR:2025:853 AI generated

ECLI:NL:HR:2025:853 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2025:853
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 24/01897 Datum 6 juni 2025 ARREST In de zaak van [eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, hierna: [eiser], advocaten: J.H.M. van Swaaij en R.J. ter Rele, tegen ACADEMISCH ZIEKENHUIS MAASTRICHT, gevestigd te Maastricht, VERWEERDER in cassatie, hierna: AZM, advocaten: T. van Malssen en R.M. Andes. 1Procesverloop Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar: a. de vonnissen in de zaak C/09/595730 HA ZA 20-657 van de rechtbank Den Haag van 4 mei 2021 en 19 januari 2022; b. het arrest in de zaak 200.309.456/01 van het gerechtshof Den Haag van 13 februari 2024, zoals verbeterd bij beslissing van 19 maart 2024. [eiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2025:853 · Hoge Raad: Die werkzaamheden moet AZM aan [eiser] vergoeden, ook als [betrokkene 1] daarvoor geen kosten aan [eiser] in rekening heeft gebracht, aldus het onderdeel. 3.2.1 Uitgangspunt bij de berekening van de omvang van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding is dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. Hieruit volgt dat zijn schade in beginsel moet worden berekend met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2008:BE9998
Het geding in feitelijke instanties [Verweerster] heeft bij exploot van 24 juli 2002 [betrokkene 1] en het ziekenhuis gedagvaard voor de rechtbank Arnhem.
ECLI:NL:GHSHE:2015:3458
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer HD 200.155.646/01 arrest van 8 september 2015 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. H.C.J. Coumou te Apeldoorn, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon Academisch Ziekenhuis Maastricht, gevestigd te Maastricht, geïntimeerde, hierna aan te duiden als het AZM, advocaat: mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 30 december 2014 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg onder zaaknummer C/03/186385/HA ZA 13-470 gewezen vonnis van 11 juni 2014. 5Het verloop van de procedure 5.1.
ECLI:NL:RBDHA:2022:171
vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/595730 / HA ZA 20-657 Vonnis van 19 januari 2022 in de zaak van [eiser] te [plaats] , eiser, advocaat mr.
ECLI:NL:GHDHA:2024:182
GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.309.456/01 Zaaknummer rechtbank : C/09/595730 / HA ZA 20-657 Arrest van 13 februari 2024 in de zaak van [appellant] , wonend in [woonplaats], appellant in het principaal hoger beroep, verweerder in het incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. F.C. Schirmeister, kantoorhoudend in Maastricht, tegen Academisch Ziekenhuis Maastricht (Maastricht UMC), gevestigd in Maastricht, verweerder in het principaal hoger beroep, appellant in het incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. K. Mous, kantoorhoudend in Nijmegen.
ECLI:NL:HR:2022:272
Procesverloop Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar: het vonnis in de zaak AR 78180/2016 - schadestaat van het gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 30 oktober 2017; het vonnis in de zaak AR78180/2016 - schadestaat - CUR2018H00013 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 28 april 2020. [verzoekster] heeft tegen het vonnis van het hof beroep in cassatie ingesteld. [verweerder] heeft geen verweerschrift ingediend. De conclusie van de Advocaat-Generaal T.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 24/01897 Datum 6 juni 2025 ARREST In de zaak van [eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, hierna: [eiser], advocaten: J.H.M. van Swaaij en R.J. ter Rele, tegen ACADEMISCH ZIEKENHUIS MAASTRICHT, gevestigd te Maastricht, VERWEERDER in cassatie, hierna: AZM, advocaten: T. van Malssen en R.M. Andes. 1Procesverloop Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar: a. de vonnissen in de zaak C/09/595730 HA ZA 20-657 van de rechtbank Den Haag van 4 mei 2021 en 19 januari 2022; b. het arrest in de zaak 200.309.456/01 van het gerechtshof Den Haag van 13 februari 2024, zoals verbeterd bij beslissing van 19 maart 2024. [eiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.

AZM heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend. De zaak is voor AZM toegelicht door zijn advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal S.D. Lindenbergh strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De advocaten van [eiser] hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd. 2Uitgangspunten en feiten 2.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: (i) [eiser] is in augustus 2003 met een schotverwonding in de buik opgenomen op de intensive care afdeling van AZM. Gedurende de opname in AZM heeft [eiser] als gevolg van een medische fout ernstig hersenletsel opgelopen. (ii) AZM heeft aansprakelijkheid erkend voor de schade als gevolg van de medische fout. (iii) Bij arrest van 8 september 2015 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch AZM veroordeeld tot vergoeding van de door [eiser] geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat. (iv) In mei 2018 heeft een deskundige gerapporteerd over de zorgschade van [eiser].

Daaruit blijkt, voor zover in cassatie nog van belang, dat [eiser] na het schadevoorval aanvankelijk intensieve hulp heeft gehad van zijn zus en een professionele weekendhulp die uit het aan [eiser] toegekende persoonsgebonden budget werden betaald, en een vriendin ([betrokkene 1], hierna: [betrokkene 1]) die daarvoor geen vergoeding kreeg. (v) AZM heeft een aantal voorschotten betaald aan [eiser]. 2.2 [eiser] vordert in deze schadestaatprocedure dat AZM wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding, waaronder vergoeding voor de zorg die [betrokkene 1] aan [eiser] heeft verleend. 2.3 De rechtbank heeft, voor zover in cassatie nog van belang, de vordering ter zake van de zorg die [betrokkene 1] heeft verleend, toegewezen. 2.4 Het hof heeft, voor zover in cassatie van belang, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vordering ter zake van de zorg die [betrokkene 1] heeft verleend alsnog afgewezen.

Het hof heeft daartoe het volgende overwogen: “6.29 Het hof overweegt dat – zoals door AZM is aangevoerd – de omstandigheid dat [betrokkene 1] zorg heeft verleend aan [eiser], niet automatisch met zich brengt dat redelijk is dat [eiser] (met een beroep op HR 5-12-2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9998) de kosten van deze zorg op AZM kan verhalen. Nu vaststaat dat i) [eiser] [betrokkene 1] niet heeft betaald voor deze zorg, ii) de (zorg)relatie/arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en [betrokkene 1] inmiddels ten einde is en iii) [betrokkene 1] daarbij aan [eiser] finale kwijting heeft verleend, zodat vaststaat dat zij niet (alsnog) aanspraak maakt op vergoeding door [eiser] van deze door haar verleende zorg, valt – zonder nadere toelichting – niet in te zien dat de redelijkheid gebiedt dat AZM aan [eiser] een vergoeding betaalt voor de door [betrokkene 1] kosteloos aan [eiser] verleende zorg.

Uit niets blijkt immers dat [eiser] voornemens is de van AZM gevraagde vergoeding aan [betrokkene 1] te voldoen. Dit betekent dat ook de tweede incidentele grief slaagt.” 3Beoordeling van het middel 3.1 Onderdeel 1 van het middel richt klachten tegen het oordeel van het hof in rov. 6.29 dat niet valt in te zien dat de redelijkheid gebiedt dat AZM aan [eiser] een vergoeding betaalt voor de door [betrokkene 1] verleende zorg, nu uit niets blijkt dat [eiser] die vergoeding aan [betrokkene 1] zou betalen. Het onderdeel klaagt onder meer dat dit oordeel onjuist is omdat de door [betrokkene 1] verleende zorg werkzaamheden betreft die [eiser] niet zelf kan verrichten, en waarvan het in de toestand waarin [eiser] verkeert normaal en gebruikelijk is dat zij worden verricht door professionele, voor hun diensten gehonoreerde hulpverleners.

Die werkzaamheden moet AZM aan [eiser] vergoeden, ook als [betrokkene 1] daarvoor geen kosten aan [eiser] in rekening heeft gebracht, aldus het onderdeel. 3.2.1 Uitgangspunt bij de berekening van de omvang van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding is dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. Hieruit volgt dat zijn schade in beginsel moet worden berekend met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval.

Dit geldt ook wanneer sprake is van letselschade. 3.2.2 In geval van aansprakelijkheid voor letselschade moet de aansprakelijke persoon de kosten van verzorging en verpleging aan de benadeelde vergoeden indien laatstgenoemde ten gevolge van het letsel niet langer in staat is de desbetreffende werkzaamheden zelf te verrichten, voor zover het gaat om werkzaamheden waarvan het in de situatie waarin de benadeelde verkeert, normaal en gebruikelijk is dat zij worden verricht door professionele, voor hun diensten gehonoreerde hulpverleners. Dit is niet anders indien die werkzaamheden in feite worden verricht door derden die daarvoor geen kosten in rekening (kunnen) brengen aan de benadeelde.

Art. 6:107 lid 1, aanhef en onder a, BW kent aan die derden hiervoor een eigen recht op schadevergoeding toe. Dit eigen recht op schadevergoeding van de derde doet niet af aan de bevoegdheid van de benadeelde om ook zelf vergoeding van deze schade te vorderen. De vorderingsrechten van de benadeelde en de in art. 6:107 lid 1, aanhef en onder a, BW bedoelde derde bestaan dus naast elkaar. Daarbij verdient aantekening dat, indien de aansprakelijke persoon de schade heeft vergoed aan de derde die kosten ten behoeve van de benadeelde heeft gemaakt, hij ook tegenover de benadeelde is bevrijd, en omgekeerd. 3.3 Uit het voorgaande volgt dat voor toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde tot vergoeding van door een derde verleende zorg, niet vereist is dat de benadeelde tegenover de derde verplicht is tot betaling voor die zorg, noch dat de benadeelde de te ontvangen vergoeding aan de derde doorbetaalt.

Het oordeel van het hof dat niet valt in te zien waarom de redelijkheid gebiedt dat AZM gehouden is tot betaling van de vergoeding aan [eiser] nu uit niets blijkt dat [eiser] die vergoeding aan [betrokkene 1] zou betalen, getuigt dan ook van een onjuiste rechtsopvatting. 3.4 De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO). 4Beslissing De Hoge Raad:

 vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 13 februari 2024;  verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;  veroordeelt AZM in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 2.602,30 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien AZM deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan. Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren T.H.

Tanja-van den Broek, H.M. Wattendorff, S.J. Schaafsma en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 6 juni 2025. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 8 september 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:3458. Rechtbank Den Haag 19 januari 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:171. Gerechtshof Den Haag 13 februari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:182. HR 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9998, rov. 3.3. HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:272, rov. 3.2.2; HR 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9998, rov. 3.5.1. HR 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9998, rov. 3.7.