Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2025:700 ECLI:NL:HR:2025:700 AI generated

ECLI:NL:HR:2025:700 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2025:700
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 22/02212 Datum 2 mei 2025 ARREST in de zaak van het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE MIDDEN-GRONINGEN tegen [X] B.V. (hierna: belanghebbende) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 mei 2022, nr. 20/00885, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Midden-Groningen tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. LEE 17/3925) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken voor het jaar 2016.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2025:700 · Hoge Raad: (hierna: belanghebbende) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 mei 2022, nr. 20/00885, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Midden-Groningen tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. LEE 17/3925) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken voor het jaar 2016.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2025:619
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 22/02213 Datum 2 mei 2025 ARREST in de zaak van het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE OLDAMBT tegen [X] B.V.
ECLI:NL:GHARL:2022:3650
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Leeuwarden nummer 20/00885 uitspraakdatum: 10 mei 2022 Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Midden-Groningen (hierna: de heffingsambtenaar) tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 10 augustus 2020, nummer LEE 17/3925, in het geding tussen belanghebbende en [belanghebbende] B.V. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende). 1Ontstaan en loop van het geding 1.1 De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [belanghebbende] -locatie “ [naam1] ” te [plaats1] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2015, voor het jaar 2016 vastgesteld op € 27.887.553. 1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de eerder vastgestelde waarde verminderd tot € 24.969.000. 1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). 1.4 De heffingsambtenaar heeft hangende het beroep in eerste aanleg de waarde bij “herziene uitspraak op bezwaar” van 23 oktober 2017 ambtshalve verminderd tot € 21.245.000. 1.5 De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 10 augustus 2020 gegrond verklaard, de uitspraak van de heffingsambtenaar vernietigd, de waardebeschikking verminderd tot € 9.849.000 en gelast dat de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoedt. 1.6 De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
ECLI:NL:PHR:2023:1119

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 22/02212 Datum 2 mei 2025 ARREST in de zaak van het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE MIDDEN-GRONINGEN tegen [X] B.V. (hierna: belanghebbende) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 mei 2022, nr. 20/00885, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Midden-Groningen tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. LEE 17/3925) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken voor het jaar 2016.

1Geding in cassatie

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Groningen (hierna: het College), vertegenwoordigd door S. Walstra, advocaat te Amsterdam, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende, vertegenwoordigd door O.M. Menger, heeft een verweerschrift ingediend. Namens partijen is de zaak schriftelijk toegelicht, voor het College door S. Walstra, voor belanghebbende door R.T. Wiegerink, advocaat te Den Haag. Belanghebbende heeft schriftelijk gereageerd op de schriftelijke toelichting van het College. De Advocaat-Generaal R.J. Koopman heeft op 8 december 2023 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie. Zowel het College als belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2Beoordeling van de middelen

De middelen slagen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 22/02213, ECLI:NL:HR:2025:619. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een nader onderzoek met inachtneming van onderdeel 5 van het hiervoor genoemde arrest. 3Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 4Beslissing De Hoge Raad: - verklaart het beroep in cassatie gegrond, - vernietigt de uitspraak van het Hof, en - verwijst het geding naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2025. ECLI:NL:GHARL:2022:3650. ECLI:NL:PHR:2023:1119.