Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2025:7 ECLI:NL:HR:2025:7 AI generated

ECLI:NL:HR:2025:7 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2025:7
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/00423 P Datum 14 januari 2025 ARREST op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 januari 2023, nummer 20-001969-21, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van [betrokkene], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992, hierna: de betrokkene.

Legislator headnote

AI generated

artikel 434 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering, artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, artikel 511f Sv, artikel 511e lid 1 Sv, artikel 511g lid 2 Sv, artikel 359 lid 3 Sv; ECLI:NL:HR:2025:7 · Hoge Raad: In het kader van deze vooropstelling stelt het hof vast dat betrokkene is veroordeeld voor het medeplegen van hennepteelt met een ander. Nu het hof niet kan vaststellen welk gedeelte van het hiervoor vastgestelde voordeel aan elk is toegevloeid, zal het hiervoor vastgestelde voordeel pondspondsgewijs worden verdeeld zodat aan betrokkene wordt toegerekend een bedrag van (€ 70.415,15 : 2 =) € 35.207,58 op welk bedrag het door betrokkene genoten voordeel wordt geschat.” 2.3 Op grond van artikel 511f Sv kan de schatting van het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel slechts worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen.

Keywords

AI generated
artikel 434 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht artikel 511f Sv artikel 511e lid 1 Sv artikel 511g lid 2 Sv artikel 359 lid 3 Sv

Cited Legislation

AI generated
artikel 434 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering
2Beoordeling van het tweede cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt dat het hof de ‘aanvulling bewijsmiddelen’ pas heeft opgemaakt na de inzending van de stukken van het geding op grond van artikel 434 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna:
artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
artikel 511f Sv
Daarmee voldoet de uitspraak ook zonder de in het cassatiemiddel bedoelde aanvulling aan de op grond van artikel 511f Sv gestelde eisen.
artikel 511e lid 1 Sv
Volgens artikel 511e lid 1 Sv (in eerste aanleg) en artikel 511g lid 2 Sv (in hoger beroep) is op de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel artikel 359 lid 3 Sv van overeenkomstige toepassing.
artikel 511g lid 2 Sv
Volgens artikel 511e lid 1 Sv (in eerste aanleg) en artikel 511g lid 2 Sv (in hoger beroep) is op de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel artikel 359 lid 3 Sv van overeenkomstige toepassing.
artikel 359 lid 3 Sv
Volgens artikel 511e lid 1 Sv (in eerste aanleg) en artikel 511g lid 2 Sv (in hoger beroep) is op de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel artikel 359 lid 3 Sv van overeenkomstige toepassing.

Cited Case Law

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/00423 P Datum 14 januari 2025 ARREST op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 januari 2023, nummer 20-001969-21, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van [betrokkene], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992, hierna: de betrokkene.

1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft E.E.W.J. Maessen, advocaat in Maastricht, bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. Het eerste cassatiemiddel is later ingetrokken. De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan. 2Beoordeling van het tweede cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt dat het hof de ‘aanvulling bewijsmiddelen’ pas heeft opgemaakt na de inzending van de stukken van het geding op grond van artikel 434 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna:

Sv). 2.2 De uitspraak van het hof houdt over de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in: “Door het hof gebruikte bewijsmiddelen Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkorte arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkorte arrest gehecht. Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel De veroordeling De betrokkene is bij arrest van dit hof van 24 januari 2023 onder parketnummer 20-001968-21 veroordeeld ter zake van – kort weergegeven – het medeplegen van het opzettelijk telen van een groot aantal hennepplanten in de periode van 1 augustus 2018 tot en met 3 januari 2019.

De wettelijke grondslag Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel dat de betrokkene door middel van het begaan van het in voornoemd arrest bewezenverklaarde en door middel van het begaan van andere feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door betrokkene zijn begaan, te weten het medeplegen van het opzettelijk telen van een groot aantal hennepplanten, in de periode voorafgaande aan 1 augustus 2018 een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten. Algemeen Normen van het Functioneel Parket Afpakken Het hof baseert zich bij de berekening op het door de politie opgemaakte Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ex art 36e, tweede lid, Sr van 27 maart 2019 alsmede de daarbij behorende bijlage, betreffende de update ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht’ van het Functioneel Parket Afpakken d.d. 1 juni 2016 (hierna ook te noemen: normen van het Functioneel Parket Afpakken d.d. 1 juni 2016).

Schatting van het voordeel Opbrengsten Oogsten De betrokkene heeft verklaard dat er 5 oogsten zijn geweest. Dit vindt bevestiging in de rapportage elektriciteitsverbruik Enexis d.d. 16 januari 2019, pg.

83. De verdediging heeft de in de onderliggende strafzaak gevoerde verweren dat de ruimte aan een derde ter beschikking was gesteld en dat hij niets met de kwekerij te maken had herhaald. Het hof heeft in de onderliggende strafzaak bij arrest van heden met parketnummer 20-001968-21 deze verweren verworpen en het hof is in de ontnemingszaak aan dit oordeel gebonden op grond waarvan het verweer van de verdediging wordt verworpen. Gelet op het voorgaande is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat betrokkene en zijn medebetrokkene de hennepkwekerij hebben geëxploiteerd waarbij zij voordeel hebben behaald uit vijf oogsten in de kweekruimte.

Totale bruto-opbrengst Uit het dossier volgt dat in de kweekruimte 143 hennepplanten zijn aangetroffen. Per m2 stonden er 16 planten. Ingevolge de normen van Functioneel Parket Afpakken d.d. 1 juni 2016 levert dit dan een opbrengst per plant van 27,7 gram op. Overeenkomstig de normen van het Functioneel Parket Afpakken d.d. 1 juni 2016 stelt het hof de opbrengst van hennep in geld op € 4.070,- per kilogram. Gelet op vorenstaande komt het hof tot de volgende bruto-opbrengst: Opbrengst in gewicht: 143 x 27,7 gram = 3961,1 gram, ofwel 3,9611 kilogram Opbrengst in geld: 3,9611 x € 4.070,- = € 16.121,68.

Totale bruto-opbrengst = € 16.121,68 per oogst. Schatting van de kosten Ter zake de kostenberekening heeft het hof aansluiting gezocht bij het in deze zaak opgemaakte Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij (dossierpagina’s 48 t/m 52) en de update ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht’ van het Functioneel Parket Afpakken d.d. 1 juni 2016, nu uit de verklaring van betrokkene en het dossier onvoldoende concrete en betrouwbare aanwijzingen naar voren komen waaruit is af te leiden dat van die landelijk aanvaarde uitgangspunten afgeweken moet worden.

Bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient acht te worden geslagen op de aannemelijk geworden kosten. Naar het oordeel van het hof dienen op voormeld bedrag derhalve de volgende kosten, die in directe relatie staan met de vijf eerdere oogsten van in totaal 143 hennepplanten per oogst en als reële uitvoeringskosten kunnen worden gezien, in mindering te worden gebracht. Afschrijvingskosten Het hof stelt de afschrijvingskosten overeenkomstig de normen van het Functioneel Parket Afpakken d.d. 1 juni 2016 van in totaal 143 hennepplanten op € 150,-.

Kosten hennepstekken Het hof stelt de kosten van de hennepstekken overeenkomstig de normen van het Functioneel Parket Afpakken d.d. 1 juni 2016 op een inkoopprijs van € 3,81 per stek/plant. Het hof zal de kosten hennepstekken ten aanzien van in totaal 143 hennepplanten vaststellen op (143 x € 3,81=) € 544,83. Variabele kosten Het hof stelt de variabele kosten overeenkomstig de normen van het Functioneel Parket Afpakken d.d. 1 juni 2016 op € 3,88 per plant. Het hof zal de totale variabele kosten ten aanzien van 143 hennepplanten vaststellen op (143 x € 3,88 =) € 554,84.

Elektriciteitskosten De betrokkene heeft de elektriciteit op legale wijze betrokken en periodiek voldaan. Blijkens de normen van het Functioneel Parket Afpakken d.d. 1 juni 2016 zijn de elektriciteitskosten per oogst: 6 lampen x € 122,- = € 732,- Totaal aan kosten Gelet op vorenstaande komt het hof tot de volgende berekening van de in mindering te brengen kosten: - Afschrijvingskosten = € 150,00 - Hennepstekken = € 544,83 - Variabele kosten = € 554,84 - Kosten elektriciteit = € 732,00 Totaal aan kosten = € 1.981,67 per oogst. Vaststelling geschat wederrechtelijk verkregen voordeel Uit het vorenstaande volgt dat het hof het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vaststelt op:

De totale bruto-opbrengst per oogst: € 16.121,68 De totale kosten per oogst: € 1.981,67 De totale netto-opbrengst per oogst: € 14.140,01 per oogst. Nu uit het historisch elektriciteitsverbruik is gebleken dat er vijf oogsten zijn geweest komt het totaalbedrag op (5 x € 14.140,01 = ) € 70.700,05. In een doos in de kweekruimte is een hoeveelheid van 70 gram aan gedroogde henneptoppen aangetroffen en in beslaggenomen. Het hof acht het aannemelijk dat deze aangetroffen gedroogde henneptoppen afkomstig zijn uit een eerder behaalde oogst. Het hof zal derhalve (70 x € 4,07) = € 284,90 in mindering brengen op de totale netto-opbrengst.

Concluderend schat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel op (€ 70.700,05 - € 284,90 =) € 70.415,15. Toerekening Het hof stelt voorop dat bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan dient te worden van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. Indien er verschillende daders zijn en de omvang van het voordeel van elk van die daders niet aanstonds is vast te stellen, zal de rechter op basis van alle hem bekende omstandigheden van het geval moeten bepalen welk deel van het totale voordeel aan ieder van hen moet worden toegerekend, waarbij in het geval er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor een andere toerekening, dit ertoe kan leiden dat het voordeel pondspondsgewijs wordt toegerekend.

In het kader van deze vooropstelling stelt het hof vast dat betrokkene is veroordeeld voor het medeplegen van hennepteelt met een ander. Nu het hof niet kan vaststellen welk gedeelte van het hiervoor vastgestelde voordeel aan elk is toegevloeid, zal het hiervoor vastgestelde voordeel pondspondsgewijs worden verdeeld zodat aan betrokkene wordt toegerekend een bedrag van (€ 70.415,15 : 2 =) € 35.207,58 op welk bedrag het door betrokkene genoten voordeel wordt geschat.” 2.3 Op grond van artikel 511f Sv kan de schatting van het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel slechts worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen.

Volgens artikel 511e lid 1 Sv (in eerste aanleg) en artikel 511g lid 2 Sv (in hoger beroep) is op de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel artikel 359 lid 3 Sv van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat die uitspraak de bewijsmiddelen moet vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover die de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden bevatten. (Vgl. HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087.) 2.4 Gelet op wat onder 2.2 is weergegeven, heeft het hof de wettige bewijsmiddelen waaraan de schatting van het wederrechtelijk voordeel is ontleend en de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden in de uitspraak opgenomen.

Daarmee voldoet de uitspraak ook zonder de in het cassatiemiddel bedoelde aanvulling aan de op grond van artikel 511f Sv gestelde eisen. 2.5 Dit brengt mee dat de klacht over het niet tijdig opmaken van een aanvulling op de uitspraak geen bespreking behoeft en dat het cassatiemiddel faalt.

3Beoordeling van het derde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 4Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 januari 2025.