ECLI:NL:HR:2025:626 · Hoge Raad
Legislator summary
AI generatedHOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/01748 B Datum 22 april 2025 BESCHIKKING op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Gelderland van 13 april 2023, nummer RK 23/001954, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door [klager], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, hierna: de klager.
Legislator headnote
AI generatedartikel 552a van het Wetboek van Strafvordering; ECLI:NL:HR:2025:626 · Hoge Raad: HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/01748 B Datum 22 april 2025 BESCHIKKING op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Gelderland van 13 april 2023, nummer RK 23/001954, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door [klager], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, hierna: de klager.
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedFull text
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/01748 B Datum 22 april 2025 BESCHIKKING op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Gelderland van 13 april 2023, nummer RK 23/001954, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door [klager], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, hierna: de klager.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft de advocaat M. van Viegen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het cassatieberoep. 2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep De Hoge Raad kan het cassatieberoep van de klager niet in behandeling nemen. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal. 3Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2025.