Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2025:519 ECLI:NL:HR:2025:519 AI generated

ECLI:NL:HR:2025:519 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2025:519
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/03251 Datum 4 april 2025 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de RAAD VAN BESTUUR VAN DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 juli 2024, nrs. 22/1101 AOW en 23/1228 AOW, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van de Rechtbank Amsterdam (nrs. 21/1821 en 22/3324) betreffende besluiten van de Sociale verzekeringsbank ingevolge de Algemene Ouderdomswet. 1Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beoordeeld.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2025:519 · Hoge Raad: De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen. De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie). 2Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 3Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.T.

Cited Case Law

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/03251 Datum 4 april 2025 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de RAAD VAN BESTUUR VAN DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 juli 2024, nrs. 22/1101 AOW en 23/1228 AOW, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van de Rechtbank Amsterdam (nrs. 21/1821 en 22/3324) betreffende besluiten van de Sociale verzekeringsbank ingevolge de Algemene Ouderdomswet. 1Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beoordeeld.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen. De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie). 2Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 3Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.T.

Boerlage als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2025. ECLI:NL:CRVB:2024:1411.