ECLI:NL:HR:2025:397 · Hoge Raad
Legislator summary
AI generatedHOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 22/03746 Datum 18 maart 2025 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 29 september 2022, nummer 22-001430-20, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, hierna: de verdachte.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:HR:2025:397 · Hoge Raad: Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van zeven maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. 4Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T.B.
Full text
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 22/03746 Datum 18 maart 2025 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 29 september 2022, nummer 22-001430-20, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft T. Kocabas, advocaat in Zoetermeer, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De plaatsvervangend advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2Beoordeling van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd. 2.2 Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal. 3Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep.
Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van zeven maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. 4Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T.B.
Trotman en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 maart 2025.