Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2025:379 ECLI:NL:HR:2025:379 AI generated

ECLI:NL:HR:2025:379 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2025:379
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/00880 Datum 14 maart 2025 ARREST in de zaak van de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN tegen [X] (hierna: belanghebbende) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 23 januari 2024, nr. BK-23/87, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 21/8241) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2020 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

Legislator headnote

AI generated

artikel 14 EVRM; ECLI:NL:HR:2025:379 · Hoge Raad: Die vordering betreft een lening aan een zoon van belanghebbende ten behoeve van de aankoop van een eigen woning. 2.2 De Inspecteur heeft de aanslag vastgesteld in overeenstemming met de ingediende aangifte. Hij heeft daarbij het voordeel uit sparen en beleggen (inkomen in box 3) forfaitair vastgesteld met toepassing van artikel 5.2 van de Wet IB 2001. 2.3 Het door belanghebbende tegen deze aanslag gemaakte bezwaar is door de Inspecteur ongegrond verklaard. Hij heeft geen aanleiding gezien om aan belanghebbende rechtsherstel met betrekking tot de heffing in box 3 te bieden naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 (hierna: het arrest van 24 december 2021).

Keywords

AI generated
artikel 14 EVRM

Cited Legislation

AI generated
artikel 14 EVRM

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2021:1963
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 21/01243 Datum 24 december 2021 ARREST in de zaak van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 10 februari 2021, nrs. AWB 20/3028 en 20/3029, betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2017 en 2018 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
ECLI:NL:HR:2024:705
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 23/00653 Datum 6 juni 2024 ARREST in de zaak van de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN tegen [X1] (hierna: belanghebbende) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 januari 2023, nr. BK-ARN 20/01121, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van Rechtbank Gelderland (nr. AWB 20/2486) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2018 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
ECLI:NL:GHDHA:2024:336
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-23/87 Uitspraak van 23 januari 2024 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 20 december 2022, nummer SGR 21/8241. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2020 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.603 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.603 (de aanslag). 1.2.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/00880 Datum 14 maart 2025 ARREST in de zaak van de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN tegen [X] (hierna: belanghebbende) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 23 januari 2024, nr. BK-23/87, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 21/8241) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2020 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1Geding in cassatie

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. 2Uitgangspunten in cassatie 2.1 Belanghebbende heeft in zijn aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2020 een rendementsgrondslag in box 3 aangegeven die voor hemzelf en zijn echtgenote tezamen € 228.089 bedraagt. De door hem aangegeven bezittingen bestaan uit “bank- en spaartegoeden in Nederland” van € 103.547 en uit “vorderingen uitgeleend geld”, bestaande uit een vordering van € 186.234.

Die vordering betreft een lening aan een zoon van belanghebbende ten behoeve van de aankoop van een eigen woning. 2.2 De Inspecteur heeft de aanslag vastgesteld in overeenstemming met de ingediende aangifte. Hij heeft daarbij het voordeel uit sparen en beleggen (inkomen in box 3) forfaitair vastgesteld met toepassing van artikel 5.2 van de Wet IB 2001. 2.3 Het door belanghebbende tegen deze aanslag gemaakte bezwaar is door de Inspecteur ongegrond verklaard. Hij heeft geen aanleiding gezien om aan belanghebbende rechtsherstel met betrekking tot de heffing in box 3 te bieden naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 (hierna: het arrest van 24 december 2021).

De Inspecteur heeft zich daarbij gebaseerd op het Besluit rechtsherstel box 3, welk besluit, voor zover hier van belang, inhoudelijk overeenstemt met de nadien vastgestelde Wet rechtsherstel box 3 (hierna: de Herstelwet). Een nadere berekening van het voordeel uit sparen en beleggen op grond van deze regeling leidt in dit geval namelijk niet tot een voor belanghebbende gunstiger resultaat.

3Procedure voor het

Hof 3.1 Voor het Hof was onder meer in geschil of belanghebbende op grond van artikel 14 EVRM of artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: EP) in aanmerking komt voor vermindering van de heffing in box 3, in die zin dat bij de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen wordt uitgegaan van het werkelijke rendement. 3.2 Het Hof is van oordeel dat aan belanghebbende, in afwijking van de Herstelwet, een op rechtsherstel gerichte compensatie moet worden geboden als bedoeld in het arrest van 24 december 2021, en dat die compensatie in beginsel dient aan te sluiten bij het werkelijk behaalde rendement. 3.3 Het Hof is verder van oordeel dat aldus niet meer hoort te worden belast dan de feitelijk genoten rente, dividend, huur, royalty’s en mogelijk andere vormen van direct gerealiseerde vermogensopbrengst. 3.4 Aangezien tussen partijen niet in geschil is dat het werkelijk door belanghebbende en zijn echtgenote behaalde rendement als hiervoor bedoeld in het onderhavige jaar in totaal € 3.873 bedraagt, heeft het Hof de aanslag in overeenstemming daarmee verminderd. 4Beoordeling van het middel 4.1 Het middel richt zich onder meer tegen het hiervoor in 3.2 weergegeven oordeel van het Hof, en betoogt daartoe dat het aan de wetgever is, en niet aan de rechter, om te voorzien in het rechtstekort dat gepaard gaat met een schending van het EVRM en het EP als gevolg van het stelsel van heffing van inkomstenbelasting in box 3.

Het middel faalt in zoverre. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 4.2 Het middel slaagt voor zover het is gericht tegen het in 3.3 vermelde oordeel van het Hof. Het middel klaagt terecht erover dat het Hof daarmee een te beperkte uitleg heeft gegeven aan het begrip werkelijk rendement, aangezien daartoe ook ongerealiseerde waardemutaties behoren.

De Hoge Raad verwijst naar rechtsoverweging 5.4.8 van het arrest van 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:705. De hiervoor in 3.4 bedoelde overeenstemming tussen partijen over de omvang van het werkelijke rendement van belanghebbende in 2020 kan niet afdoen aan de gegrondheid van deze klacht, aangezien die overeenstemming slechts betrekking heeft op de omvang van het direct gerealiseerde vermogensrendement, en niet op ongerealiseerde waardemutaties. Over de eventuele omvang daarvan hebben partijen zich (nog) niet uitgelaten. 5Slotsom Gelet op hetgeen hiervoor in 4.2 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven.

Verwijzing moet volgen. 6Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 7Beslissing De Hoge Raad: - verklaart het beroep in cassatie gegrond, - vernietigt de uitspraak van het Hof, en - verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest. Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2025.

ECLI:NL:GHDHA:2024:336. Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 28 juni 2022, nr. 2022-176296, Stcrt. 2022, 17063. Wet van 21 december 2022, Stb. 2022, 533.