Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2025:365 ECLI:NL:HR:2025:365 AI generated

ECLI:NL:HR:2025:365 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2025:365
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 23/04731 Datum 7 maart 2025 BESCHIKKING In de zaak van [de werknemer], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, hierna: de werknemer, advocaat: P.A. Fruytier, tegen ERASMUS UNIVERSITEIT ROTTERDAM, gevestigd te Rotterdam, VERWEERSTER in cassatie, hierna: EUR, advocaat: E.M. Tjon-En-Fa. 1Procesverloop Voor het verloop van het geding tot 15 november 2024 verwijst de Hoge Raad naar zijn beschikking van die datum, ECLI:NL:HR:2024:1666. De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking van het Hof Amsterdam van 5 september 2023 in zaak 200.319.593, maar uitsluitend voor zover in het dictum de omvang van de transitievergoeding is bepaald op € 33.571,83 (bruto) in hoofdsom, en tot afdoening zoals voorgesteld in 4.32 van de conclusie.De advocaten van beide partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd. 2Uitgangspunten en feiten 2.1 De werknemer was sinds 1992 in dienst van EUR.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2025:365 · Hoge Raad: De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO). 3.2.1 Onderdeel 2 heeft betrekking op de hoogte van de door het hof toegewezen transitievergoeding. Het onderdeel klaagt onder meer dat het hof het door de werknemer in eerste aanleg verzochte bedrag heeft toegewezen, dat was gebaseerd op beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2022, en niet zelfstandig de hoogte van de transitievergoeding heeft bepaald, rekening houdend met de beslissing van het hof dat de arbeidsovereenkomst eindigt per 1 oktober 2023. 3.2.2 Deze klacht is gegrond.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2024:1666
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 23/04731 Datum 15 november 2024 BESCHIKKING In de zaak van [de werknemer], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, hierna: de werknemer, advocaat: P.A.
ECLI:NL:GHAMS:2023:2526
GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.319.593/01 zaaknummer rechtbank Midden-Nederland : 9807927 UE VERZ 22-92 MS/1270 beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 5 september 2023 inzake [appellant] , gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante, advocaat: mr. W.E. Pors te Amsterdam, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, advocaat: mr. F.A. Chorus te Amsterdam. Partijen worden hierna EUR en [geïntimeerde] genoemd.
ECLI:NL:HR:2020:1286
Procesverloop Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar: de beschikking in de zaak 6524698\AO VERZ 17-162 van de kantonrechter te Haarlem van 2 maart 2018; de beschikking in de zaak 200.239.969/01 van het gerechtshof Amsterdam van 14 mei 2019. De werkgever heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De werknemer heeft verzocht het beroep te verwerpen. De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping van het cassatieberoep. 2Uitgangspunten en feiten 2.1 Deze zaak gaat over de vraag of een werknemer recht heeft op de hogere transitievergoeding voor werknemers van vijftig jaar of ouder met een dienstverband van tien jaar of langer (art. 7:673a (oud) BW) in een geval waarin de arbeidsovereenkomst korter heeft geduurd dan tien jaar uitsluitend doordat de werkgever de arbeidsovereenkomst onregelmatig heeft opgezegd. 2.2 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (i) De werknemer, geboren in 1954, is op 1 januari 2008 in dienst getreden bij de werkgever.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 23/04731 Datum 7 maart 2025 BESCHIKKING In de zaak van [de werknemer], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, hierna: de werknemer, advocaat: P.A. Fruytier, tegen ERASMUS UNIVERSITEIT ROTTERDAM, gevestigd te Rotterdam, VERWEERSTER in cassatie, hierna: EUR, advocaat: E.M. Tjon-En-Fa. 1Procesverloop Voor het verloop van het geding tot 15 november 2024 verwijst de Hoge Raad naar zijn beschikking van die datum, ECLI:NL:HR:2024:1666. De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking van het Hof Amsterdam van 5 september 2023 in zaak 200.319.593, maar uitsluitend voor zover in het dictum de omvang van de transitievergoeding is bepaald op € 33.571,83 (bruto) in hoofdsom, en tot afdoening zoals voorgesteld in 4.32 van de conclusie.De advocaten van beide partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd. 2Uitgangspunten en feiten 2.1 De werknemer was sinds 1992 in dienst van EUR.

In de arbeidsrelatie zijn problemen ontstaan die vanaf eind 2018 zijn toegenomen. 2.2 In deze procedure verzoekt EUR ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de grond dat de arbeidsverhouding ernstig verstoord is. 2.3 De kantonrechter heeft het ontbindingsverzoek van EUR afgewezen. 2.4 Het hof heeft de beschikking van de kantonrechter vernietigd en bepaald dat de arbeidsovereenkomst eindigt op 1 oktober 2023. Verder heeft het hof EUR veroordeeld tot betaling aan [de werknemer] van een transitievergoeding van € 33.571,83 bruto en een billijke vergoeding van € 40.000,-- bruto. 3Beoordeling van het middel 3.1.1 Onderdeel 1 van het middel is gericht tegen het oordeel van het hof dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in art. 7:669 lid 3, onder g, BW. 3.1.2 De klachten van dit onderdeel kunnen niet tot cassatie leiden.

De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO). 3.2.1 Onderdeel 2 heeft betrekking op de hoogte van de door het hof toegewezen transitievergoeding. Het onderdeel klaagt onder meer dat het hof het door de werknemer in eerste aanleg verzochte bedrag heeft toegewezen, dat was gebaseerd op beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2022, en niet zelfstandig de hoogte van de transitievergoeding heeft bepaald, rekening houdend met de beslissing van het hof dat de arbeidsovereenkomst eindigt per 1 oktober 2023. 3.2.2 Deze klacht is gegrond.

De wet bevat nauwkeurige regels voor de berekening van de hoogte van de transitievergoeding en die regels houden onder meer in dat de hoogte daarvan afhankelijk is van de duur van het dienstverband (art. 7:673 lid 2 tot en met 6 BW). Het hof had de hoogte van de transitievergoeding ambtshalve moeten berekenen met inachtneming van de door het hof vastgestelde einddatum van de arbeidsovereenkomst. 3.2.3 De klacht kan echter bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Uit de reacties van partijen op de conclusie van de Advocaat-Generaal blijkt dat partijen na het instellen van het cassatieberoep overeenstemming hebben bereikt over het bedrag waarmee de door het hof vastgestelde transitievergoeding moet worden aangevuld, en dat EUR dit bedrag inmiddels aan de werknemer heeft betaald.

De werknemer heeft daarom ook geen belang bij de overige klachten van onderdeel 2. 3.2.4 Omdat de genoemde overstemming pas is bereikt nadat de werknemer het cassatieberoep had ingesteld, zal de Hoge Raad EUR veroordelen in de kosten van het geding in cassatie. 4Beslissing De Hoge Raad: - verwerpt het beroep; - veroordeelt EUR in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [de werknemer] begroot op € 355,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien EUR deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 7 maart 2025. Gerechtshof Amsterdam 5 september 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2526. Vgl. HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1286, rov. 3.3.7.