Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2025:319 ECLI:NL:HR:2025:319 AI generated

ECLI:NL:HR:2025:319 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2025:319
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Is het mogelijk dat, wanneer het (eventuele) ondernemerschap van een werker buiten beschouwing wordt gelaten, de tussen deze werker en diens opdrachtgever/werkgever gesloten overeenkomst kwalificeert als arbeidsovereenkomst, terwijl met het wel in beschouwing nemen van dat (eventuele) ondernemerschap, dezelfde overeenkomst niet als arbeidsovereenkomst kwalificeert? 2. Indien het antwoord op de eerste vraag bevestigend is, betekent dat dan dat de arbeidsrelatie ten aanzien van precies hetzelfde werk, verricht ten behoeve van dezelfde opdrachtgever/werkgever, verricht door de ene werker (niet zijnde een ondernemer) anders wordt gekwalificeerd dan de arbeidsrelatie ten aanzien van datzelfde werk verricht door een andere werker (wel zijnde een ondernemer)? 3.

Legislator headnote

AI generated

art. 392 Rv, art. 393 lid 1 Rv, art. 3:305a BW, art. 1018f Rv, art. 3:305a lid 2 BW, art. 1018k Rv; ECLI:NL:HR:2025:319 · Hoge Raad: De vierde prejudiciële vraag 3.7.1 In zijn arrest van 3 oktober 2023 heeft het hof, voor zover van belang, het volgende overwogen over de aanleiding voor de vierde prejudiciële vraag. Uber en de Chauffeurs hebben geconcludeerd dat FNV niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat de door FNV gevorderde verklaringen voor recht niet op grond van art. 3 Wet AVV kunnen worden gegeven. Zij hebben aangevoerd dat FNV haar vorderingen in het kader van een collectieve actie (art. 3:305a BW) had moeten instellen. (rov. 5.8.1) De wijze waarop FNV haar vorderingen heeft ingestoken (‘een verklaring voor recht met betrekking tot alle Uber chauffeurs’) maakt het niet goed mogelijk een onderscheid aan te brengen tussen de verschillende chauffeurs (rov. 5.8.2).

Keywords

AI generated
art. 392 Rv art. 393 lid 1 Rv art. 3:305a BW art. 1018f Rv art. 3:305a lid 2 BW art. 1018k Rv

Cited Legislation

AI generated
art. 392 Rv
Bij voormeld tussenarrest van 13 februari 2024 heeft het hof op de voet van art. 392 Rv prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld.
art. 393 lid 1 Rv
Uber, de Chauffeurs en FNV hebben ieder schriftelijke opmerkingen als bedoeld in art. 393 lid 1 Rv ingediend.
art. 3:305a BW
Zij hebben aangevoerd dat FNV haar vorderingen in het kader van een collectieve actie (art. 3:305a BW) had moeten instellen.
art. 1018f Rv
In het kader van een collectieve actie kunnen belanghebbenden aan de rechtbank te kennen geven zich uit de collectieve actie te ‘bevrijden’ (art. 1018f Rv), de zogenoemde ‘opt-out’.
art. 3:305a lid 2 BW
Anders dan in het kader van een collectieve actie (ingevolge het in art. 3:305a lid 2 BW opgenomen representativiteitsvereiste), hoeft een werknemersvereniging in het kader van een vordering op grond van art.
art. 1018k Rv
1018f Rv en art. 1018k Rv) – geen gezag van gewijsde toe in een latere procedure tussen de werkende en de werkgever/opdrachtgever, nu de werkende geen partij was in eerstbedoelde procedure (art.
art. 236 lid 1 Rv
1018k Rv) – geen gezag van gewijsde toe in een latere procedure tussen de werkende en de werkgever/opdrachtgever, nu de werkende geen partij was in eerstbedoelde procedure (art. 236 lid 1 Rv).
art. 393 lid 10 Rv
4Beslissing De Hoge Raad: - beantwoordt de vragen op de hiervoor in 3.4, 3.5, 3.6.2 en 3.7.5 weergegeven wijze; - begroot de kosten van deze procedure op de voet van art. 393 lid 10 Rv op € 1.800,-- aan de zijde van Uber, op € 1.800,-- aan de zijde van de Chauffeurs en op € 1.800,-- aan de zijde van FNV.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2023:443
Procesverloop Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar: het vonnis in de zaak 7044576 CV EXPL 18-14763 van de kantonrechter te Amsterdam van 15 januari 2019; het arrest in de zaak 200.261.051/01 van het gerechtshof Amsterdam van 16 februari 2021. Deliveroo heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld. FNV heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor Deliveroo mede door L.B. de Graaf en voor FNV mede door I.L.N. Timp.
ECLI:NL:RBAMS:2021:5029
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht - team kanton zaaknummer: 8937120 CV EXPL 20-22882 vonnis van: 13 september 2021 fno.: 25/33494 Vonnis van de kantonrechters I n z a k e de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging Federatie Nederlandse Vakbeweging gevestigd te Utrecht eiseres nader te noemen: FNV gemachtigden: mr. J.H. Mastenbroek en mr. J.F.A. Terpstra t e g e n de besloten vennootschap Uber B.V. gevestigd te Amsterdam gedaagde nader te noemen: Uber gemachtigden: mr. J.M. van Slooten en mr. M. Jovovic VERLOOP VAN DE PROCEDURE Het verloop van de procedure blijkt uit : - de dagvaarding van 15 december 2020, met bijlagen;- de conclusie van antwoord, met bijlagen, van 1 maart 2021;- het verzoek van Uber om onderhavige kwestie meervoudig te behandelen van 1 maart 2021, waarmee FNV heeft ingestemd;- het instructievonnis van 15 maart 2021;- de dagbepaling mondelinge behandeling; - de nadere akte overlegging producties tevens akte uitlating en akte houdende voorwaardelijke vermindering van eis van FNV van 31 mei 2021; - het bezwaar tegen de akte van FNV van Uber van 2 juni 2021; - de nadere akte overlegging producties van FNV van 18 juni 2021.- de antwoordakte tevens akte uitlating producties van Uber van 23 juni 2021. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 juni 2021. Voor FNV is verschenen [naam 1] , bijgestaan door de gemachtigden. Namens Uber is verschenen [naam 2] (statutair directeur) met de gemachtigden. Daarnaast zijn van beide zijden meerdere mede-werkers, adviseurs en chauffeurs aanwezig geweest en hebben andere belangstellenden de zitting digitaal kunnen bijwonen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, mede aan de hand van pleitaantekeningen, en vragen van de kantonrechters beantwoord. Meerdere medewerkers, adviseurs en chauffeurs hebben het woord gevoerd. Ten slotte is vonnis gevraagd, dat (nader) is bepaald op heden. GRONDEN VAN DE BESLISSING Feiten 1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast: 1.1. FNV stelt zich - onder meer - ten doel het behartigen van de belangen van werkenden. Zij onderhandelt en sluit mede daartoe namens haar leden/ werknemers collectieve arbeidsovereenkomsten (hierna ook: een cao) en bewaakt de naleving daarvan. 1.2. FNV is partij bij de CAO Taxivervoer. De CAO Taxivervoer is de afgelopen jaren op verschillende momenten algemeen verbindend verklaard geweest. 1.3. Uber maakt deel uit van het internationaal opererende Uber-concern. Zij ontwikkelt en onderhoudt verschillende technologische oplossingen, waarmee een variëteit aan diensten worden aangeboden. Daaronder is een digitale applicatie (hierna ook: de Uberapp), waarmee wordt bemiddeld rond het personenvervoer per auto tegen betaling (hierna ook: taxivervoer). 1.4. Op het Nederlandse taxivervoer zijn diverse regelingen van toepassing, waaronder de Wet Personenvervoer 2000 (Wp2000), het Besluit personen-vervoer 2000 (Bp2000) en verschillende andere (ministeriële) regelingen. Daarnaast kunnen er op gemeente- en provincieniveau aanvullende bepalingen gelden. Volgens artikel 76 lid 1 Wp2000 heeft degene, onder wiens verantwoordelijkheid en voor wiens rekening en risico personen per auto worden vervoerd, een vergunning nodig: de zogenoemde ondernemers-vergunning. Deze vergunning kan aan een rechtspersoon of een natuurlijke persoon worden verstrekt. 1.5. Een taxichauffeur is op grond van artikel 81 lid 3 Bp2000 verplicht te beschikken over een chauffeurskaart. Daarvoor moet worden voldaan aan een aantal voorwaarden, zoals het bezit van een rijbewijs B, een geneeskundige verklaring, een verklaring omtrent het gedrag (een VOG) en een certificaat van het afronden van de opleiding tot taxichauffeur. 1.6. In onder meer de grote steden en op Schiphol is uit hoofde van de openbare orde verplicht gesteld dat de zogenoemde ‘opstapmarkt’ (personenvervoer dat niet tevoren is geboekt) wordt bediend door chauffeurs die deel uitmaken van een organisatorisch verband: een Toegelaten Taxi Organisatie (TTO). In een aantal grote steden, met name Amsterdam, verplicht de gemeente de TTO’s toe te zien op naleving van gemeentelijke regels, zoals bijvoorbeeld de verplichting om consumenten op hun eerste verzoek te vervoeren en geen ritten te weigeren of te staken, tenzij het in redelijkheid niet van de chauffeur kan worden gevergd. Uber is geen TTO. 1.7. Uber richt zich op de ‘bel- en bestelmarkt’. Hierbij wordt het personenvervoer telefonisch geboekt of digitaal besteld via een applicatie zoals de Uberapp. 1.8. Uber biedt aan taxichauffeurs de mogelijkheid om via het Uber-platform actief te zijn op de bel- en bestelmarkt. Daartoe dienen zij zich aan te melden op de website of de Uberapp. Na het aanmaken van een account en het invullen van een aantal basisgegevens, worden drie opties voor taxichauffeurs getoond:a. taxichauffeurs, die geen chauffeurskaart of ondernemersvergunning hebben, kunnen (nog) niet actief worden op het Uber-platform;b. taxichauffeurs, die een chauffeurskaart hebben maar geen ondernemersvergunning, kunnen gaan rijden voor een “Fleet Partner” als “driver under partner”. Fleet Partners (of: wagenparkpartners) zijn chauffeurs die andere chauffeurs inzetten om vervoersdiensten te verrichten; c. taxichauffeurs, die beschikken over een chauffeurskaart én een ondernemersvergunning, kunnen direct toegang krijgen tot het Uber-platform om als “zelfstandig Uber Partner” taxivervoer aan te bieden via de Uberapp. 1.9. Om daadwerkelijk toegang te krijgen tot het Uber-platform dienen de chauffeurs akkoord te gaan met de “Voorwaarden voor onafhankelijke Uber-partners”. In deze voorwaarden (versie geldig vanaf 12 juli 2020), is bepaald, voor zover hier van belang:“Belangrijkste PrincipesUber BV bezit de rechten van de Partner-app via welke u in contact komt met Passagiers. Met de Partner-app beschikt u over mogelijkheden om met een chauffeurskaart en/of taxivergunning Ritten aan te bieden aan Passagiers in Nederland. Wanneer u een Rit aanbiedt, sluit u een overeenkomst rechtstreeks met de Passagier. Als u akkoord gaat met deze Voorwaarden voor Uber-partners, doet u dit als zelfstandig ondernemer, niet als onze medewerker. U bepaalt zelf of, wanneer en waar u de Partner-app gebruikt. (…). Artikel 6 Uw verplichtingen. “a. Voor toegang tot de Partner-app en behoud van toegang, moet u (i) in bezit zijn van een geldig rijbewijs en beschikken over alle andere vereiste chauffeurs- of taxivergunningen, -kaarten, licenties, goedkeuringen en machtigingen die van toepassing zijn om Ritten aan te bieden, en (ii) voldoen aan alle relevante wettelijke vereisten. b. Wanneer u de Partner-app gebruikt om Ritten aan te bieden, dient u zich op een professionele en efficiënte manier te gedragen, passend bij een verantwoordelijke chauffeur met een chauffeurs-, taxi- of andere goedgekeurde vergunningen (of kaart) voor het leveren van vervoersdiensten. U dient Ritten te leveren met gebruik van de juiste vaardigheden, zorgvuldigheid en toewijding. Zo dient u onder andere de meest efficiënte route te volgen (tenzij u met de Passagier een andere route overeenkomt). c. U dient zich te houden aan de Communityrichtlijnen. d. Wanneer u de Partner-app gebruikt, doet u dit te goeder trouw en zult u deze niet misbruiken of proberen om ons of de Passagiers te bedriegen. e. U mag de naam, handelsmerken of logo’s van Uber niet weergeven op uw auto of kleding (behalve waar vereist). f. U mag alleen Ritten maken met een auto die is geïdentificeerd in uw Uber-account. Uw auto moet geschikt zijn voor gebruik via de Partner-app (wat van tijd tot tijd kan variëren), correct zijn geregistreerd, zijn voorzien van een vergunning en geschikt zijn voor gebruik als taxi en in goede staat verkeren in overeenstemming met de branche- en wettelijke veiligheids- en onderhoudsnormen. g. U bent verantwoordelijk voor alle toeslagen (zoals wegenbelasting (…)) en alle belastingen en kosten die kunnen voortvloeien uit de uitvoering van een Rit, tenzij deze kosten worden doorberekend aan de Passagier in overeenstemming met deze Voorwaarden voor Uber-partners. (…) j. U mag geen contact opnemen met een Passagier of anderszins persoonsgegevens gebruiken om een andere reden dan voor het leveren van de desbetreffende Rit. k. Uw Uber-account is persoonlijk. (…). l. U dient zich te houden aan deze Voorwaarden voor Uber-partners en alle toepasselijke wetgeving tijdens uw gebruik van de Partner-app. 7. Het gebruik van de Partner-app. a. U bent niet verplicht om in te loggen in de Partner-app of om deze te gebruiken. U kunt zelf bepalen of u inlogt op de Partner-app en waar en wanneer u dat doet. b. U bepaalt zelf of, wanneer, waar en hoelang u de Partner-app gebruikt en wanneer u een Ritaanvraag accepteert, weigert of negeert. (…) d. Het staat u volledig vrij om indien gewenst ritten te maken via andere bedrijven, waaronder concurrenten van Uber. U mag derhalve ook ritten via andere bedrijven uitvoeren terwijl u de Partner-app gebruikt (‘multi-apping’ genoemd). (…) f. Als u niet beschikbaar bent om Ritten aan te bieden, stemt u ermee in om uit te loggen bij de Partner-app totdat u weer beschikbaar bent. De reden is dat wanneer Uber-partners ingelogd zijn bij de Partner-app, maar niet echt Ritten willen maken, dit ertoe kan leiden dat Passagiers en Uber-partners lang op Ritten moeten wachten. (…). Als het lijkt dat u niet beschikbaar bent om Ritten te maken, kunt u automatisch uitgelogd worden bij de Partner-app. (…) g. U ontvangt belangrijke informatie over een Ritaanvraag in de Partner-app voordat u besluit of u een overeenkomst wilt aangaan met de Passagier. Deze informatie bevat onder andere de door De Passagier aangevraagde bestemming (…), de ophaallocatie en de beoordeling. h. De Passagier ontvangt ook identificatiegegevens over u, waaronder uw voornaam, foto, beoordeling, locatie en informatie over de auto. i. Het is uw volledige verantwoordelijkheid om de meest effectieve en veilige manier te kiezen om de bestemming te bereiken (…). j. Nadat u heeft bevestigd dat u een Ritaanvraag wilt accepteren, kunt u de Rit nog steeds annuleren, conform ons huidige annuleringsbeleid. k. Na een rit wordt u gevraagd om de Passagier te beoordelen. Andersom kan hij of zij u ook beoordelen. De toegang tot de Partner-app kan u worden ontzegd als gevolg van uw beoordeling, zoals beschreven in de Communityrichtlijnen. Passagiers zien uw beoordeling in de Passagiers-app en dit kan van invloed zijn op hun beslissing of ze al dan niet een Rit bij u willen aanvragen. l. We brengen alleen de Servicekosten bij u in rekening voor het gebruik van de Diensten. 8. Ritprijzen. a. U hebt het recht om voor elke Rit een Ritprijs in rekening te brengen bij uw Passagier. (…) Ritprijzen (…) kunnen ook naar ons eigen goeddunken worden aangepast op basis van lokale marktfactoren. We stellen u op de hoogte van elke wijziging van een basistarief of toepasselijke bedragen voor afstand en/of tijd. (…). 9. De Servicekosten. Onze Servicekosten worden per Rit berekend. a. De Servicekosten zijn een percentage van de Ritprijs of annuleringskosten (inclusief Ritprijs gerelateerde belastingen, maar exclusief toeslagen en fooien). Indien van toepassing berekenen we btw over de Servicekosten. b. U betaalt ons de Servicekosten in ruil voor het gebruik van onze Diensten. Het percentage aan Servicekosten kan per product verschillen en kan naar ons eigen inzicht worden aangepast. We stellen u vooraf op de hoogte van elke wijziging. (…). 10. Betalingsbewijzen. Na afloop van een Rit sturen we automatisch namens u een elektronisch betalingsbewijs naar de Passagier. Dit bevat een specificatie van de in rekening gebrachte bedragen en bepaalde informatie over u en de Rit (…). 11. Belastingen. U dient zich te houden aan toepasselijke wetgeving inzake de verplichte aangifte, berekening en afdracht van belastingen voor uw Ritten. (…) U bent verantwoordelijk voor uw eigen belastingen, ook voor uw eigen omzet. (…)” 1.10. Uber wijzigt (met een zekere regelmaat) eenzijdig de Voorwaarden, waarmee de chauffeurs bij het openen van de Uberapp dan voor gebruik eerst akkoord moeten gaan. 1.11. Na het inloggen op de Uberapp kan de chauffeur taxiritten aangeboden krijgen. In het aanbod staan de ophaallocatie, de verwachte rijtijd en de ‘rating’ (gemiddelde beoordeling door Uber-chauffeurs naar aanleiding van eerdere ritten) van de passagier. Als het een rit is van meer dan 30 minuten wordt dit ook vermeld. Aan de passagier wordt door Uber een verwachte ritprijs opgegeven. Bepalend voor de definitieve ritprijs is de uiteindelijke route die door de chauffeur, in overleg met de passagier, wordt gereden. 1.12. De chauffeur heeft vervolgens de keuze om de rit te accepteren, te negeren of te weigeren door het klikken op de betreffende button in de app. Als de chauffeur na ingelogd te zijn drie keer achter elkaar een aangeboden rit negeert, wordt hij automatisch uitgelogd. Hij kan daarna weer inloggen. Nadat een rit door de chauffeur is geaccepteerd, kan hij deze de rit alsnog annuleren. Bij een annuleringspercentage van meer dan 20% kan de toegang tot de Uberapp door Uber worden geblokkeerd. Na het volmaken van de rit, wordt de passagier gevraagd de chauffeur te waarderen (‘te raten’) op een schaal van 1 tot 5. 1.13. Uber kan eenzijdig een chauffeur van de Uberapp uitsluiten. Redenen om een chauffeur de toegang te ontzeggen zijn bijvoorbeeld het niet-naleven van de regelgeving van overheidswege, fraude, onacceptabel gedrag of gevaarlijk rijgedrag. Ook een gemiddeld lage rating (minder dan 4,5 uit 5) kan leiden tot uitsluiting. 1.14. Uber maakt bij het aanbieden van de rit via haar app gebruik van een algoritme, het “batched matching system”. Kort gezegd komt het erop neer dat het algoritme van Uber, op basis van alle relevante gegevens van alle chauffeurs en passagiers op een bepaald moment in een bepaalde groep (“batch”), zoals opstapplaats en bestemming van de passagiers en locatie en rijrichting van de chauffeurs, bepaalt wie welke rit aangeboden krijgt. De chauffeur die de rit als eerste accepteert, krijgt de rit toebedeeld. 1.15. De passagier betaalt de ritprijs aan Uber. Uber betaalt de chauffeurs wekelijks (of desgevraagd dagelijks) de totaalsom van gemaakte ritten uit via Uber Payments B.V. (verder Uber Pay). Op de ritprijs wordt een bedrag van 25% aan servicekosten ingehouden. 1.16. Geschillen tussen een passagier en een chauffeur, zoals over de ritprijs, worden behandeld en beslist door Uber. Uber kan eenzijdig de door de passagier betaalde ritprijs (deels) retourneren, waarna de chauffeur het lagere bedrag krijgt uitbetaald. 1.17. Uber hanteert voor de chauffeurs de status of rang Gold, Platinum of Diamond. Om een bepaalde rang te bereiken moet een chauffeur naast een minimum aantal punten (verkregen met ritten), een beoordeling van tenminste 4,85 (uit 5) en een annuleringspercentage (zijnde het alsnog annuleren van de rit na acceptatie daarvan) van niet meer dan 4% hebben. Ook zijn er bepaalde tijdstippen waarop extra punten kunnen worden verdiend. De status geeft de chauffeur voordelen ten aanzien van de ritten. Zo krijgt een chauffeur met Platinum of Diamond status op Schiphol voorrang op een rematch (in een situatie dat meerdere chauffeurs tegelijkertijd bij de vertrekhal staan) en een chauffeur met Diamond status komt op Schiphol automatisch vooraan in de (digitale) wachtrij. Ongeveer 4,7% (Platinum) respectievelijk 2,1% (Diamond) van de chauffeurs heeft zo’n status. Naast deze rangen hanteert Uber nog andere beschikbaar gestelde rangen zoals UberPro, die van invloed zijn op de beloning. 1.18. FNV heeft Uber aangesproken op het naleven van de CAO Taxivervoer. Uber heeft dat geweigerd. Vordering FNV 2. FNV vordert – na haar vordering voorwaardelijk te hebben verminderd – bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:I. voor recht te verklaren dat voor de periodes dat de CAO Taxivervoer algemeen verbindend verklaard is (geweest), de arbeidsvoorwaarden van deze CAO van toepassing zijn op de chauffeurs die zich in persoon jegens Uber hebben verbonden om personen met een personenauto te vervoeren over de weg; II. Uber te veroordelen om over de periodes dat de CAO Taxivervoer algemeen verbindend verklaard is (geweest), deze integraal na te leven jegens de onder I bedoelde chauffeurs die haar daarom verzoeken en het (achterstallige) salaris te voldoen waarop zij ingevolge deze CAO recht hebben onder overlegging van een deugdelijke specificatie voor iedere maand waarin de chauffeur voor Uber werkzaam is geweest;III. meer specifiek, Uber te veroordelen om aan ieder van de onder I genoemde chauffeurs die haar daarom vraagt en haar daartoe de ingevolge de ANWB module autokosten berekenen benodigde gegevens heeft verstrekt, onder overlegging van een deugdelijke specificatie aan iedere chauffeur, voor de periode dat de CAO algemeen verbindend is/was verklaard en hij voor Uber werkzaam is (geweest) een loon te voldoen overeenkomstig de CAO Taxivervoer, hetgeen betekent dat Uber de betreffende chauffeur voor de tijd dat hij tijdens de algemeen verbindend verklaring van de CAO Taxivervoer met zijn chauffeursapp ingelogd is geweest, hem met terugwerkende kracht en berekend per maand, het ingevolge deze CAO verschuldigde uurloon (incl. vakantietoeslag, opslag van 9,7% voor niet genoten vakantiedagen en een toeslag van 20% over de overuren) voldoet, onder verrekening van hetgeen Uber de betreffende chauffeur reeds heeft betaald voor de in die tijd uitgevoerde ritten voor zover die gedane betaling de door de chauffeur gemaakte vaste en variabele kosten van de ten behoeve van Uber gereden kilometers overtreft. Voor deze nabetaling dienen de door de chauffeur gemaakte vaste en variabele kosten per kilometer te worden berekend volgens de ANWB module ‘autokosten berekenen’. Uitsluitend voor het geval geoordeeld zou worden dat de procedure verwezen of aangehouden zou moeten worden omdat dit deel aangemerkt moet worden als een vordering ex artikel 3:305a BW, wil FNV geacht worden dit deel van de vordering niet te handhaven om te voorkomen dat door verwijzing of aanhouding de procedure vertraagd wordt; IV. Uber te veroordelen tot betaling aan de chauffeurs van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over de onder II en III bedoelde nabetaling;V. Uber te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente aan de chauffeurs, te berekenen over het ingevolge II en III verschuldigde vanaf de vervaldata tot aan de datum van voldoening;VI. Uber te veroordelen tot betaling van een dwangsom aan FNV van € 10.000,00 per dag voor iedere chauffeur die, na een verzoek als hiervoor onder II en/of III bedoeld, niet binnen veertien dagen na dat verzoek een correcte en per maand gespecificeerde nabetaling heeft ontvangen;VII. Uber te veroordelen tot betaling aan FNV van € 500.000,00, dan wel een door de kantonrechter in goede justitie te betalen bedrag aan schadevergoeding;VIII. Uber te veroordelen in de kosten van de procedure. 3. FNV stelt daartoe samengevat het volgende. Op grond van artikel 3 lid 2 en lid 4 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (de Wet AVV) heeft FNV een eigen recht om de nietigheid in te roepen van bedingen tussen een werkgever en een werknemer die in strijd zijn met een cao. De chauffeurs die in persoon voor Uber rijden zijn werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst. Uber is hun werkgever, zodat zij onder de algemeen verbindend verklaarde CAO Taxivervoer vallen. Uber verricht immers middels de chauffeurs tegen betaling vervoer van personen, met een personenauto, over de weg of over andere dan voor het openbaar verkeer openstaande wegen, hetgeen de CAO Taxivervoer als werkingssfeer hanteert. Uber is veel meer dan een prikbord dat vraag en aanbod bij elkaar brengt, zoals zij wil doen geloven. Uber organiseert de vervoersdiensten tot in detail. Zij selecteert de chauffeurs, de auto’s, stelt eenzijdig de tarieven vast en stemt het aanbod van taxi’s door die tarieven af op de lokale vraag. Voorts stuurt Uber op het gedrag van de chauffeurs met voorschriften en regelingen, ratings, gedifferentieerde tarieven, waarschuwingen, blokkades van de app, en monitort zij het rijgedrag van de chauffeurs. Uber bepaalt welke voorwaarden van toepassing zijn tussen chauffeur en klant, chauffeurs moeten de werkzaamheden in persoon uitvoeren en Uber beslist bij onenigheid over de ritprijs. Daarnaast factureert Uber de rit en de klant betaalt aan Uber. Uber afficheert zich ook als een vervoersdienst. Van het daadwerkelijk voeren van een eigen bedrijf door een chauffeur, zoals Uber wil doen geloven, is geen sprake; van het daadwerkelijk maken van eigen keuzes als ondernemer evenmin. Veel chauffeurs rijden 80-90% van hun tijd voor Uber en hebben zich uitsluitend bij de KvK aangemeld om voor Uber werkzaam te kunnen zijn. 4. Er is ingevolge artikel 7:610 BW sprake van een arbeidsovereenkomst, aangezien wordt voldaan aan de daarin genoemde eisen van arbeid, loon en gezag. Als al niet direct sprake is van een arbeidsovereenkomst, dient te worden vermoed dat de chauffeurs de uitgevoerde ritten krachtens een arbeidsovereenkomst hebben verricht, nu zij aan de in artikel 7:610a BW gestelde voorwaarden voldoen. 5. Volgens FNV verdient de gemiddelde Uber chauffeur rond € 9,05 bruto per uur, terwijl het minimumloon € 11,19 en het cao-loon tenminste € 13,36 bedraagt. Het door Uber genoemde uurloon van ca. € 24,48 is om allerlei redenen geflatteerd. Zo worden bijvoorbeeld de wachttijd tussen de ritten en allerlei bijkomende werkzaamheden zoals tanken en autowassen niet meegerekend. De CAO Taxivervoer schrijft echter een hoger uurloon voor en dus hebben de chauffeurs aanspraak op achterstallig loon. 6. Een redelijke toepassing van de CAO Taxivervoer brengt ook mee dat de tijd dat de chauffeurs de Uberapp hebben ingeschakeld maar nog in afwachting zijn van een rit, geldt als verloonde tijd. Zij zijn immers in die tijd beschikbaar voor ritten en wachttijd is volgens de CAO Taxivervoer werktijd. Voorts is slechts een deel van het door Uber aan de chauffeurs betaalde honorarium te beschouwen als loon. 7. FNV vordert nakoming van de CAO Taxivervoer en dus nabetaling van loon. FNV heeft daartoe een eigen vorderingsrecht ex artikel 3 Wet AVV. Alleen als geoordeeld wordt dat de verrekening van autokosten in wezen een schadevergoedingsactie op de voet van artikel 3:305a BW betreft, vermindert FNV haar vordering ter zake om vertraging te voorkomen. 8. FNV vordert voorts op grond van artikel 3 lid 4 Wet AVV een schadevergoeding wegens het niet naleven van de CAO Taxivervoer. Deze schade bestaat uit materiële schade, zijnde de vele uren die haar personeel aan onderzoek naar de schending van de cao heeft moeten besteden, onder meer in de vorm van interviews en het inventariseren van de contracten en de regelingen. Het gaat om tenminste 5527 uur, waarvan de schade begroot wordt op € 400.000,-. Daarnaast heeft FNV immateriële schade geleden bestaande uit reputatieschade en het verlies aan werfkracht ad € 100.000,-. Verweer Uber 9. Uber voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van FNV. Samengevat voert Uber aan dat de chauffeurs geen werknemer zijn, en dat ook niet worden doordat ze de Uberapp gebruiken. Bovendien kunnen zij niet allemaal over één kam worden geschoren. Uber is geen werkgever, maar een technologiebedrijf. Zij runt een platform waarop gebruikers met elkaar in contact komen en overeenkomsten met elkaar aangaan, waaronder die voor taxivervoer. Uber bemiddelt bij de totstandkoming van die overeenkomsten en ondersteunt partijen door een aantrekkelijke marktplaats te creëren. Uber heeft in feite (alleen) ICT-systemen en programma’s die gebruikers helpen, zoals de Uberapp. Chauffeurswerk behoort niet tot de kernactiviteit van Uber. 10. Uber is van mening dat geen enkele chauffeur die de app gebruikt, werknemer van Uber is. Daarnaast gebiedt de rechtspraak volgens Uber een individuele toets, waarbij moet worden gekeken naar voorgeschiedenis, maatschappelijke positie en uitleg van de verbintenissen die partijen met elkaar zijn aangegaan. En zelfs in het geval een enkele chauffeur onder gezag van Uber zou staan, dan nog geldt dat een enorm diverse groep van meer dan 10.000 chauffeurs niet in één keer tot werknemer kan worden gebombardeerd. Ten tweede moet ook worden gekeken naar de regels en gebruiken in de taxiwereld. Andere taxicentrales zoals bijvoorbeeld de Amsterdamse TTO’s worden ook niet als werkgever aangemerkt, terwijl zij op vergelijkbare wijze bemiddelen. Ten derde dient een holistische toetsing plaats te vinden, zo volgt uit de rechtspraak van de Hoge Raad. Dat betekent dat per individu de weging anders kan uitvallen. 10. De rechtsverhouding tussen Uber en de chauffeurs voldoet niet aan de vereisten van artikel 7:610 BW. Zo werken de chauffeurs niet voor Uber en is van een overeenkomst tot het verrichten van werk tegen betaling door Uber geen sprake. Uber is juist opdrachtnemer van de chauffeurs, die tegen betaling toegang krijgen tot de Uberapp en daarmee van Uber een dienst geleverd krijgen. De chauffeurs krijgen geen loon van Uber. De vergoeding wordt door de chauffeurs ontvangen van de passagier, Uber Pay stuurt deze slechts door. Chauffeurs zijn volledig vrij om zelf te bepalen wanneer zij werken, mogen onbeperkt ritten weigeren en mogen ook nog een percentage van de ritten na acceptatie annuleren. Daarnaast moet een chauffeur over een KvK-inschrijving beschikken. 10. Ook is het de vraag of de chauffeurs wel aanspraak willen maken op een arbeidsovereenkomst. Dat betekent dat geen dwangsommen kunnen worden verbonden aan een eventuele veroordeling. De loonvorderingen zijn bovendien mogelijk niet toewijsbaar wegens een gebrek aan bereid- of beschikbaarheid van een chauffeur om de aangeboden rit uit te voeren. Dat een chauffeur online is wil niet zeggen dat hij ook beschikbaar is, en bovendien kan de chauffeur op dat moment ook andere inkomsten verwerven. 10. Bij de beoordeling zal voor zover van belang verder worden ingegaan op de standpunten van partijen. Beoordeling 14. In de kern komt het geschil neer op de vraag of de verhouding tussen Uber en de chauffeurs, die in persoon via de Uberapp met een personenauto passagiers vervoeren over de weg, moet worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst. Zo ja, dan dient vervolgens te worden beoordeeld of de CAO Taxivervoer van toepassing is en wat dit verder betekent voor de verschillende onderdelen van de vordering. Fleet Partners of chauffeurs die als zogenoemde Driver under Partner het taxivervoer aanbieden via de Uberapp blijven dus buiten beschouwing. Artikel 3 Wet AVV 15. Vooraf wordt opgemerkt dat een werknemersorganisatie die partij is bij een cao, zoals FNV, als contractspartij uit eigen hoofde nakoming kan vorderen van in die cao opgenomen verplichtingen voor een werkgever, die lid is van de contracterende werkgeversorganisatie. Voor zover een cao algemeen verbindend is verklaard, geldt dit ook jegens een werkgever die geen lid is van de werkgeversorganisatie bij de cao. Voor het kunnen instellen van zo’n vordering is niet vereist dat er werknemers zijn die zich hebben verzet of die bezwaar hebben gemaakt tegen de handelwijze van hun werkgever. Als contractspartij heeft de werknemersorganisatie immers een eigen belang bij en recht op nakoming (vgl. ECLI:NL:HR:2021:413 [partij] , r.o. 3.3.2). FNV baseert haar vorderingen op de stelling dat Uber onder de algemeen verbindend verklaarde CAO Taxivervoer valt. FNV is partij bij deze cao en heeft derhalve een eigen belang en vorderingsrecht. Voor zover het verweer hiertegen is gericht faalt dat. Arbeidsovereenkomst? 16. Anders dan in Groen/Schoevers (ECLI:NL:HR:1997: ZC2495) en X./Gemeente Amsterdam (ECLI:NL:HR:2020:1746) gaat het gelet op de vordering van FNV om álle chauffeurs die in persoon zich hebben aangemeld en middels de app voor Uber rijden, zodat geen toetsing van de overeenkomst tussen een individuele chauffeur en Uber plaatsvindt. Enkel de algemene kenmerken van de rechtsverhouding tussen de chauffeurs en Uber worden in deze zaak betrokken. Dit staat – anders dan Uber heeft betoogd – evenwel niet in de weg aan een inhoudelijke beoordeling van de rechtsverhouding, nu de uitgangspunten voor iedere chauffeur die de Uberapp gebruikt, dezelfde zijn. 17. Het toetsingskader voor de beoordeling of sprake is van een arbeidsovereenkomst wordt gevormd door artikel 7:610 BW, nader ingevuld door (onder meer) de twee bovengenoemde arresten. Dat betekent dat over en weer de inhoud van de rechten en verplichtingen van partijen dient te worden vastgesteld, waarbij zo nodig een uitleg aan de hand van de zogenoemde Haviltexmaatstaf en de werkelijke (materiele) verhouding die partijen voor ogen heeft gestaan een rol kunnen spelen, evenals de wijze waarop partijen feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven. Aan de hand van de op deze wijze vastgestelde inhoud van de overeenkomst kan vervolgens worden bepaald of de overeenkomst de kenmerken van een arbeidsovereenkomst bevat, of bijvoorbeeld van een overeenkomst van opdracht. Daarbij is niet één enkel kenmerk beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien. 18. De kenmerken van een arbeidsovereenkomst zijn kort gezegd arbeid, loon en gezag nu in de rechtspraak breed is geaccepteerd dat ‘in dienst van’ een gezagsverhouding inhoudt. Omtrent deze elementen wordt op basis van de vaststaande feiten en het verhandelde ter zitting overwogen als volgt. Het (persoonlijk) verrichten van arbeid 19. Dat de chauffeurs arbeid voor Uber verrichten, lijdt geen twijfel. Zij vervoeren via de Uberapp passagiers voor Uber. De bezigheden zijn ook zinvol voor Uber, nu deze door het gebruik van de Uberapp voor haar van toegevoegde waarde zijn, omdat haar een percentage van de ritprijs toekomt. 20. Het verweer van Uber dat zij slechts een technologiebedrijf is dat een platform runt waarop gebruikers met elkaar in contact kunnen komen en overeenkomsten met elkaar aangaan, voor onder andere taxivervoer, wordt verworpen. Immers, uit het feit dat chauffeurs akkoord moeten gaan met de door Uber gestelde voorwaarden om te kunnen worden toegelaten op haar platform, volgt dat zij een overeenkomst aangaan met Uber om vervoersdiensten aan te bieden. Bovendien vormen de vervoersdiensten de kern van de activiteiten van Uber en is de hele organisatie van Uber erop ingericht dat zoveel mogelijk ritten worden verreden en dat op alle dagen en uren voldoende chauffeurs actief zijn om die ritten voor Uber uit te voeren. Dat is het verdienmodel van Uber. 21. De omstandigheid dat de relatie met de chauffeurs door Uber is gegoten in de vorm van een abonnement op de Uberapp en de chauffeurs een commissie van 25% van de ritprijs betalen voor het gebruik van die app, maakt dit niet anders. Het gaat erom dat de chauffeurs feitelijk het via de Uberapp aangeboden vervoer van personen voor Uber verrichten. 22. Los van de vraag of de eis geldt dat de arbeid persoonlijk moet worden verricht of dat het persoonlijk verrichten van arbeid als instructiebevoegdheid en dus als gezag moet worden gezien, geldt dat Uber middels een door de chauffeurs te nemen selfie expliciet controleert of men persoonlijk de arbeid verricht. Dat de achtergrond hiervan is gelegen in het wettelijke vereiste dat een chauffeur moet beschikken over de hiervoor genoemde vergunningen en een chauffeur zich daarom niet kan laten vervangen, maakt geen verschil. Vast staat dat een chauffeur een door hem aanvaarde rit persoonlijk verricht. Loon 23. Loon is de overeengekomen tegenprestatie voor de verrichte arbeid. Niet in geschil is dat de chauffeurs een vergoeding ontvangen voor een taxirit. De feitelijke gang van zaken is als volgt. Uber krijgt volgens de overeenkomst met de chauffeurs de aanvraag voor de taxirit en bepaalt vervolgens – via het algoritme – aan welke chauffeur de rit wordt aangeboden, de route en de verwachte ritprijs. Uber ontvangt na de rit de ritprijs en betaalt de chauffeur deze minus de servicekosten uit. De ritprijs vormt de beloning voor het vervoer van die passagiers (de arbeid van de chauffeurs). 24. De omstandigheid dat de passagiers de ritprijs aan Uber Pay (een andere entiteit) voldoen, en dat Uber Pay het hun toekomende deel aan de chauffeurs betaalt, betekent niet dat de chauffeurs van Uber geen loon voor hun werkzaamheden ontvangen. De benaming van het loon is niet van belang; de vorm van uitbetaling evenmin. In dienst van: gezagsverhouding 25. De vraag of sprake is van een gezagsverhouding is nog steeds het meest kenmerkende criterium bij het onderscheid tussen een arbeidsovereenkomst en een andere arbeidsrelatie, en daarmee beslissend voor de vraag of sprake is van ‘werknemer’ of (bijvoorbeeld) een zelfstandige zonder personeel (zzp-er). Het speelt bij de beoordeling een sleutelrol. 26. In de hedendaagse, door technologie beheerste tijd heeft het criterium ‘gezag’ een van het klassieke model afwijkende, meer indirect (vaak digitaal) controlerende invulling gekregen. Werknemers zijn zelfstandiger geworden en verrichten hun werk op meer wisselende (zelfgekozen) tijden. Geoordeeld wordt dat in de verhouding tussen Uber en de chauffeurs sprake is van deze “moderne gezagsverhouding”. Ter toelichting geldt het volgende. 27. De chauffeurs kunnen zich alleen bij Uber aanmelden middels de Uberapp. De voorwaarden waaronder zij de Uberapp kunnen gaan gebruiken, zijn voor hen niet onderhandelbaar; ze moeten eerst alle voorwaarden volledig accepteren om taxi ritten via de Uberapp te kunnen uitvoeren. Uber bepaalt eenzijdig de voorwaarden waaronder de chauffeurs werken, welke voorwaarden ook eenzijdig door Uber kunnen worden gewijzigd. Dat gebeurt ook regelmatig. De chauffeurs kunnen die wijzigingen niet weigeren, ze moeten – willen ze via de Uberapp blijven rijden – de gewijzigde voorwaarden accepteren alvorens ze weer op de Uberapp kunnen inloggen. 28. Het algoritme van de Uberapp bepaalt vervolgens op welke wijze de ritten worden verdeeld en welke prioriteiten daarbij worden gesteld. Het algoritme doet dat op basis van de door Uber gestelde prioriteiten. Zoals ter zitting door Uber is toegelicht, verstrekt Uber bij het aanbieden van een rit slechts een beperkt aantal gegevens, zodat de chauffeur niet alleen de ritten kan accepteren die hem het meeste voordeel opleveren. De Uberapp bepaalt welke chauffeur een rit (als eerste) krijgt aangeboden. Daarbij wordt een route geadviseerd, waarop de aan de klant geïndiceerde ritprijs is gebaseerd. De chauffeurs hebben geen invloed op die prijs, aangezien Uber de tarieven vaststelt. Weliswaar kunnen de klant en de chauffeurs in onderling overleg de ritprijs aanpassen door een andere dan de voorgestelde route te nemen, maar van een vrije onderhandeling tussen passagier en chauffeur is geen sprake. Het ligt immers niet voor de hand dat een passagier akkoord gaat met een andere route, indien die leidt tot een hogere ritprijs. 29. Er gaat ook een disciplinerende werking uit van de Uberapp. Via de Uberapp krijgen de chauffeurs immers een rating en worden zij dus beoordeeld, wat invloed kan hebben op de toegang tot het platform van Uber en het aanbod van de ritten. Een lage gemiddelde rating kan leiden tot verwijdering van het platform, terwijl een hoge gemiddelde rating juist een belangrijke voorwaarde is om te kwalificeren voor de extra status van Platinum of Diamond bij Uber, wat (financiële) voordelen oplevert voor de chauffeur. Zo krijgt een chauffeur met een Platinum of Diamond rang eerder de financieel aantrekkelijke ritten vanaf Schiphol aangeboden. 30. Daar komt bij, zo is ter zitting namens Uber verklaard, dat Uber – eenvoudig gezegd – “aan de knoppen van de app kan draaien” en de instellingen kan wijzigen. Die wijziging is van invloed op de door de chauffeurs te behalen rangen en in verband daarmee het aanbod van de ritten. De door Uber zo bepleite ondernemersvrijheid is hierdoor in wezen afwezig. 31. Hoewel Uber benadrukt dat een chauffeur te allen tijde een reeds geaccepteerde rit alsnog mag annuleren, leidt het regelmatig annuleren van een rit tot uitsluiting van het gebruik van de Uberapp. Ook heeft het driemaal weigeren van een aangeboden rit tot gevolg dat de chauffeur door het systeem wordt uitgelogd en dus geen ritten meer krijgt aangeboden, tot hij opnieuw is ingelogd. Uber heeft aangevoerd dat haar systeem niet goed werkt als ritten bij herhaling worden geweigerd. Dit neemt echter niet weg dat Uber degene is die via het algoritme bepaalt of, en wanneer een chauffeur wordt uitgelogd en weer mag inloggen. 32. Ten slotte is het Uber die bij klachten van klanten eenzijdig beslist over de eventuele oplossing, daaronder een aanpassing van de overeengekomen ritprijs. Daar kan de chauffeur bezwaar tegen maken, maar de uiteindelijke beslissing ligt bij Uber. 33. Op deze wijze gaat van het algoritme een financiële stimulans en een disciplinerende en instruerende werking uit. Dat de chauffeurs tot op zekere hoogte vrij zijn om een rit te weigeren, zelf hun uren mogen bepalen en gelijktijdig gebruik mogen maken van verschillende apps of andersoortige boekingssystemen doet daar niet aan af. Zodra zij gebruik maken van de Uberapp en daartoe ingelogd zijn, zijn zij onderworpen aan de werking van het door Uber ontworpen algoritme, en vallen zij daarmee onder een “modern werkgeversgezag” van Uber. Conclusie 34. Concluderend wordt aan de hand van eerdergenoemd toetsingskader vastgesteld dat partijen slechts “op papier” zijn overeengekomen dat de chauffeurs als zelfstandig ondernemer werkzaam zijn. Het kan zijn dat (een aantal van) de chauffeurs daartoe ook daadwerkelijk de bedoeling hadden, maar in de gegeven omstandigheden moet die bedoeling – vergaand – worden gerelativeerd nu deze vooral zal zijn ingegeven door de wens om voor Uber, de in economisch opzicht beduidend sterkere partij, werkzaam te zijn. Zoals hiervoor besproken, leidt het samenstel van het door Uber opgetuigde systeem ertoe dat de feitelijke uitvoering alle kenmerken van een arbeidsovereenkomst bevat. In dat geval gaat ‘wezen’ voor ‘schijn’ en moet, met het oog op het dwingendrechtelijk karakter van het arbeidsrecht en ter bescherming van de zwakkere positie van de werker, door de in het contract gekozen bewoordingen heen worden gekeken (zie ook ECLI:NL:RBMNE:2021:3667). 35. De overeenkomsten tussen Uber en de chauffeurs die zich in persoon jegens Uber hebben verbonden, moeten derhalve gekwalificeerd worden als een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610 BW. 36. Onderkend wordt dat dit oordeel bij Uber – zoals zij terecht heeft aangevoerd – tot organisatorische problemen aanleiding kan geven en dat niet alle chauffeurs, die zich in persoon met Uber hebben verbonden, een arbeidsovereenkomst wensen. Dit maakt het oordeel echter niet anders. Vordering I: toepasselijkheid CAO Taxivervoer: 37. Vervolgens rijst de vraag of dit oordeel tot gevolg heeft dat de CAO Taxivervoer op de arbeidsrelatie van Uber met de in persoon rijdende chauffeurs van toepassing is, althans voor de periode dat deze algemeen verbindend is verklaard. Dat is het geval. 38. Immers, de laatstelijk tot 31 december 2021 algemeen verbindend verklaarde CAO Taxivervoer (vgl. Staatscourant 2021, 1100) is conform artikel 1.2 van de CAO Taxivervoer van toepassing “op ondernemingen, werkgevers en werknemers van elke in Nederland gevestigde arbeidsorganisatie:  ie tegen betaling vervoer van personen verricht, met een personenauto, krachtens een vergunning op grond van de Wet Personenvervoer 2000 (in werking sinds 1 januari 2001, wet van 6 juli 2000, Stb. 2000, 314);  en/of die tegen betaling vervoer van personen verricht, met een personenauto, over de weg of over andere dan voor het openbaar verkeer openstaande wegen.” Voorts worden de begrippen werknemer en werkgever in artikel 1.5 van de cao als volgt gedefinieerd: “c. Werkgever Elke natuurlijke of rechtspersoon die in Nederland door één of meer werknemers arbeid doet verrichten als bedoeld in artikel 1.2. d. Werknemer De persoon die met de werkgever een arbeidsovereenkomst heeft gesloten voor bepaalde of onbepaalde tijd.” 39. Aangezien Uber een rechtspersoon is die in Nederland één of meer werknemers arbeid doet verrichten in de zin van artikel 1.2 van de CAO Taxivervoer, valt zij onder de werkingssfeer van deze cao. Uber dient deze, voor zover de CAO Taxivervoer algemeen verbindend is verklaard, op de arbeidsovereenkomsten van de chauffeurs toe te passen. Dat betekent dat de onder I. door FNV gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar is. Vordering II, IV en V: achterstallig loon en aanverwante vorderingen 40. Uber dient de bepalingen van de CAO Taxivervoer na te leven ten opzichte van de chauffeurs die zich in persoon met Uber hebben verbonden. Dat betekent dat zij aan de chauffeurs die daarvoor in aanmerking komen, achterstallig loon moet voldoen. FNV heeft onder II ook niet anders gevorderd. De vordering kan naar haar aard slechts betrekking hebben op chauffeurs, die op zo’n prestatie zijdens Uber aanspraak kunnen maken (vgl ECLI:NL:HR:1997:ZC2532 CNV/ [partij] en ECLI:NL:HR:2021:413 [partij]), waarbij verjaring een rol kan spelen. De vordering onder II is derhalve eveneens toewijsbaar, in aanmerking genomen het hierna volgende. 41. Uber heeft betoogd dat de vraag of de chauffeurs aanspraak kunnen maken op een arbeidsovereenkomst en of zij dat ook willen doen gelet op het mogelijk fiscaal gevolg, een relevant gezichtspunt is. Voor zover Uber heeft verzocht daarmee in het dictum rekening te houden geldt het volgende. 42. Nu sprake is van een arbeidsovereenkomst en Uber onder de werkingssfeer van de algemeen verbindend verklaarde CAO Taxivervoer valt, is zij wettelijk gehouden de uit de cao voortvloeiende verplichtingen jegens de chauffeurs na te leven, ook als de chauffeurs dat niet willen. Een ‘louter van de wil’ van de werknemer afhankelijke veroordeling zou kunnen neerkomen op een ‘uitweg’ die de effectiviteit van het systeem van algemeenverbindendverklaring van cao’s onder druk zet (vgl. AG Hartlief, ECLI:NL:PHR:2020:958). Voor zover de vordering ertoe strekt dat naleving van de cao alleen geldt voor de chauffeurs die Uber daarom verzoeken, wordt dit gedeelte van het petitum in het dictum niet overgenomen. Daarbij wordt overwogen dat de zinsnede “die haar daarom verzoeken” in de vordering van FNV wordt begrepen als een juridische uitleg die – zoals hiervoor is overwogen – geen steun vindt in het recht en derhalve onnodig is opgenomen. Door het weglaten van deze zinsnede in het dictum is tegen die achtergrond geen sprake dat meer wordt toegewezen dan door FNV is gevorderd. 43. Voor wat betreft de vraag of de chauffeurs aanspraak kunnen maken op een nabetaling uit hoofde van de CAO Taxivervoer geldt dat uit de door Uber te maken loonberekeningen en de daarop gebaseerde specificaties zal moeten blijken in hoeverre individuele chauffeurs recht hebben op nabetaling van loon. 44. De discussie omtrent het feit dat de chauffeurs tegelijkertijd op verschillende apps (kunnen) zijn ingelogd en ook ritten mogen weigeren of niet accepteren, en wat dit betekent voor de vraag of zij gedurende de wachttijd recht hebben op loon omdat in dat geval volgens Uber de bereidheid tot het verrichten van arbeid ontbreekt, valt buiten de reikwijdte van de beoordeling van dit geschil en behoeft niet beantwoord te worden. Het is een vraag naar de uitleg van de CAO Taxivervoer. In deze procedure ligt enkel de vraag voor of de CAO Taxivervoer op de betreffende arbeidsovereenkomsten van toepassing is. 45. De vordering onder II zal, conform dit oordeel, deels worden toegewezen. De vorderingen onder IV en V zijn prematuur en worden afgewezen, ook omdat (nog) niet inzichtelijk is wie op welke nabetaling recht heeft. Vordering III: autokosten 46. Los van de vraag of de vordering onder III aangemerkt moet worden als een vordering op de voet van artikel 3:305a BW (een collectieve actie), hetgeen Uber overigens niet heeft betoogd, geldt dat de vordering te onbepaald is en zelfstandig belang ontbeert, om naast de onder I gevorderde verklaring voor recht en de nakomingsvordering onder II, te worden toegewezen. Uber wordt bij toewijzing van de vordering onder II reeds veroordeeld tot nakoming van de CAO Taxivervoer en dus om het achterstallige salaris te voldoen waarop de chauffeurs ingevolge de CAO Taxivervoer recht hebben. Dat achterstallig loon zal moeten worden berekend op de wijze als in de CAO Taxivervoer of de wet voorzien. De vordering onder III wordt afgewezen. Vordering VI: dwangsom 47. FNV vordert onder VI veroordeling van Uber op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag voor iedere chauffeur die na een verzoek als bedoeld onder II niet binnen 14 dagen na het verzoek een correcte en per maand gespecificeerde nabetaling heeft ontvangen. Voor zover FNV met haar vordering bedoelt dat de dwangsom ziet op het verstrekken van een specificatie wordt geoordeeld dat die vordering moet worden afgewezen. Het toewijzen van een dwangsom, te betalen aan FNV, terwijl de specificatie moet worden verstrekt aan de chauffeur en alleen die kan beoordelen of de specificatie correct is, leidt onvermijdelijk tot executieproblemen en komt derhalve niet dienstig voor. Voor zover het gaat om de betaling aan de chauffeurs zelf, geldt dat een dwangsom niet kan worden verbonden aan een betalingsverplichting. Vordering VII: schadevergoeding FNV 48. Op grond van artikel 3 lid 4 Wet AVV kan FNV een vergoeding vorderen voor de schade die zij lijdt vanwege het niet nakomen van de cao door Uber. FNV vordert in dat kader € 400.000,00 aan materiële schade vanwege de vele uren besteed aan onderzoek, en € 100.000,00 aan immateriële schade vanwege de reputatieschade en verlies aan werfkracht. 49. Dat FNV schade heeft geleden doordat Uber de CAO Taxivervoer niet nakomt is aannemelijk. Daarbij heeft FNV een door Uber weliswaar onbetwist gebleven overzicht ingebracht van 1 bladzijde van de schade, maar dit overzicht is nauwelijks gespecificeerd en is zonder nadere toelichting – welke ontbreekt – onvoldoende voor toewijzing van een vergoeding van materiële schade tot het bedrag van € 400.000,00. Onbetwist is eveneens gebleven dat FNV door het niet nakomen van de cao door Uber reputatieschade heeft geleden en dat er sprake is van verlies aan werfkracht. 50. Alles afwegende wordt een schadevergoeding van in totaal € 50.000,00 (€ 25.000,00 aan materiële en € 25.000,00 aan immateriële schade) redelijk geacht. Deze zal worden toegewezen. Proceskosten 51. Bij deze uitkomst van de procedure zal Uber in de proceskosten worden veroordeeld. BESLISSING De kantonrechters: verklaren voor recht dat voor de periodes dat de CAO Taxivervoer algemeen verbindend verklaard is (geweest), de arbeidsvoorwaarden van deze CAO van toepassing zijn op de chauffeurs die zich in persoon jegens Uber hebben verbonden om personen met een personenauto te vervoeren over de weg; veroordelen Uber om voor de periodes dat de CAO Taxivervoer algemeen verbindend verklaard is (geweest), deze integraal na te leven jegens de onder I bedoelde chauffeurs; veroordelen Uber tot betaling aan FNV van € 50.000,00 aan schadevergoeding; veroordelen Uber in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van FNV begroot op:exploot € 105,50salaris € 1.496,00griffierecht € 124,00 -----------------totaal € 1.725,50voor zover van toepassing, inclusief btw; veroordelen Uber in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 62,00 aan salaris gemachtigde, te verhogen met een bedrag van € 68,00 en de explootkosten van betekening van het vonnis, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, onder de voorwaarde dat Uber niet binnen veertien dagen na aanschrijving volledig aan dit vonnis heeft voldaan en betekening van het vonnis pas na veertien dagen na aanschrijving heeft plaatsgevonden; verklaren de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijzen het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mrs. M.V. Ulrici, E. Pennink en F.J. Lourens, kantonrechters, en door mr. M.V. Ulrici in het openbaar uitgesproken op 13 september 2021 in tegenwoordigheid van de griffier. Griffier Kantonrechter
ECLI:NL:GHAMS:2024:601
GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.300.335/01 zaaknummer rechtbank Amsterdam : 8937120 CV EXPL 20-22882 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 13 februari 2024 inzake UBER B.V., gevestigd te Amsterdam, appellante, tevens incidenteel geïntimeerde, advocaat: mr. J.M. van Slooten te Amsterdam, en 1 [appellant 1] , h.o.d.n. [bedrijf 1] , wonend te [woonplaats 1] , 2. [appellant 2], h.o.d.n. [bedrijf 2] , wonend te [woonplaats 2] , 3. [appellant 3], h.o.d.n. [bedrijf 3] , wonend te [woonplaats 3] , 4. [appellant 4a] en [appellant 4b], h.o.d.n. [bedrijf 4] , wonend te [woonplaats 3] , 5. [appellant 5], h.o.d.n. [bedrijf 5] , wonend te [woonplaats 4] , 6. [appellant 6], h.o.d.n. [bedrijf 6] , wonend te [woonplaats 5] , gevoegde partij, advocaat: mr. J. Schulp te Amsterdam tegen de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING, gevestigd te Utrecht, geïntimeerde, tevens incidenteel appellante, advocaat: mr. J.H. Mastenbroek te Groningen. Partijen worden hierna Uber, de Chauffeurs en FNV genoemd.
ECLI:NL:GHAMS:2023:2220
GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.300.335/01 zaaknummer rechtbank Amsterdam : 8937120 CV EXPL 20-22882 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 oktober 2023 inzake UBER B.V., gevestigd te Amsterdam, appellante, tevens incidenteel geïntimeerde, advocaat: mr. J.M. van Slooten te Amsterdam, en 1 [geïntimeerde 1] , h.o.d.n. [bedrijf 1] , wonend te [woonplaats 1] , 2. [geïntimeerde 2], h.o.d.n. [bedrijf 2] , wonend te [woonplaats 2] , 3. [geïntimeerde 3], h.o.d.n. [bedrijf 3] , wonend te [woonplaats 3] , 4. [geïntimeerde 4a] en [geïntimeerde 4b], h.o.d.n. [bedrijf 4] , wonend te [woonplaats 3] , 5. [geïntimeerde 5], h.o.d.n. [bedrijf 5] , wonend te [woonplaats 4] , 6. [geïntimeerde 6], h.o.d.n. [bedrijf 6] , wonend te [woonplaats 5] , gevoegde partij, advocaat: mr.
ECLI:NL:HR:2021:413
Procesverloop Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar: de vonnissen in de zaak 5513845 van de kantonrechter te 's-Hertogenbosch van 2 februari 2017 en 6 juli 2017; het arrest in de zaak 200.228.863/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 20 augustus 2019. [eiseres] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld. FNV heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor [eiseres] mede door I.L.N. Timp.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 24/00877 Datum 21 februari 2025 PREJUDICIËLE BESLISSING In de zaak van 1. UBER B.V., gevestigd te Amsterdam, APPELLANTE, tevens INCIDENTEEL GEÏNTIMEERDE in hoger beroep, hierna: Uber, advocaten: S.F. Sagel en I.L.N. Timp, 2. [chauffeur 1] h.o.d.n. [bedrijf 1] , wonende te [woonplaats] , 3. [chauffeur 2] h.o.d.n. [bedrijf 2] , wonende te [woonplaats] , 4. [chauffeur 3] h.o.d.n. [bedrijf 3] , wonende te [woonplaats] , 5. [chauffeur 4] h.o.d.n. [bedrijf 4] , wonende te [woonplaats] , 6. [chauffeur 5] h.o.d.n. [bedrijf 4] , wonende te [woonplaats] , 7. [chauffeur 6] h.o.d.n. [bedrijf 5] , wonende te [woonplaats] , 8. [chauffeur 7] h.o.d.n. [bedrijf 6] , wonende te [woonplaats] , GEVOEGDE PARTIJEN in hoger beroep, hierna: de Chauffeurs, advocaat:

F.E. Vermeulen, tegen FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING, gevestigd te Utrecht, GEÏNTIMEERDE, tevens INCIDENTEEL APPELLANTE in hoger beroep, hierna: FNV, advocaat: M.S. van der Keur. 1Het geding in feitelijke instanties en de prejudiciële procedure Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a. het vonnis in de zaak 8937120 CV EXPL 20-22882 van de rechtbank Amsterdam van 13 september 2021; b. de arresten in de zaak 200.300.335/01 van het gerechtshof Amsterdam van 22 maart 2022, 19 juli 2022, 3 oktober 2023 en 13 februari 2024.

Bij voormeld tussenarrest van 13 februari 2024 heeft het hof op de voet van art. 392 Rv prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld. Uber, de Chauffeurs en FNV hebben ieder schriftelijke opmerkingen als bedoeld in art. 393 lid 1 Rv ingediend. De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot beantwoording prejudiciële vragen als in de conclusie onder 11.4-11.15 en 14.12-14.13 vermeld. De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd. 2Uitgangspunten en feiten 2.1 Deze prejudiciële zaak gaat over het gezichtspunt ‘ondernemerschap’ binnen het toetsingskader voor de kwalificatie van een overeenkomst als arbeidsovereenkomst dat de Hoge Raad heeft uiteengezet in het Deliveroo-arrest van 24 maart 2023.

De zaak gaat verder over de vraag of de rechter op basis van art. 3 lid 2 Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (hierna: Wet AVV) een algemeen oordeel kan geven over de kwalificatie van overeenkomsten van werkenden, allen werkzaam bij dezelfde opdrachtgever/werkgever. 2.2 Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen gaat de Hoge Raad uit van de feiten, vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.1-2.18. Het gaat, samengevat, om het volgende: (i) FNV stelt zich – onder meer – ten doel het behartigen van de belangen van werkenden.

Zij onderhandelt over en sluit collectieve arbeidsovereenkomsten (hierna: cao’s) en bewaakt de naleving daarvan. (ii) FNV is tot in ieder geval 1 januari 2023 partij bij de CAO Taxivervoer geweest. De CAO Taxivervoer is de afgelopen jaren op verschillende momenten algemeen verbindend verklaard geweest. (iii) Uber maakt deel uit van het internationaal opererende Uber-concern. Zij exploiteert de Uber-app, waarmee gebruikers tegen betaling personenvervoer per auto (hierna ook: taxivervoer) kunnen boeken. (iv) Op het Nederlandse taxivervoer zijn diverse regelingen van toepassing, waaronder de Wet Personenvervoer 2000 (hierna:

Wp2000), het Besluit Personenvervoer 2000 (hierna: Bp2000) en andere (ministeriële) regelingen. Volgens art. 76 lid 1 Wp2000 heeft degene onder wiens verantwoordelijkheid en voor wiens rekening en risico personen per auto worden vervoerd, een vergunning nodig: de zogenoemde ondernemersvergunning. Deze vergunning kan aan een rechtspersoon of een natuurlijke persoon worden verstrekt. (v) Een taxichauffeur is op grond van art. 81 lid 3 Bp2000 verplicht te beschikken over een chauffeurskaart. Daarvoor moet worden voldaan aan een aantal voorwaarden, zoals het bezit van een rijbewijs B, een geneeskundige verklaring, een verklaring omtrent het gedrag (hierna:

VOG) en een certificaat van het afronden van de opleiding tot taxichauffeur. (vi) Uber richt zich op de ‘bel- en bestelmarkt’. Hierbij wordt het personenvervoer telefonisch geboekt of digitaal besteld via een applicatie zoals de Uber-app. (vii) Uber biedt aan taxichauffeurs de mogelijkheid om via het Uber-platform actief te zijn op de bel- en bestelmarkt. Daartoe dienen zij zich aan te melden op de website of in de Uber-app. Na het aanmaken van een account en het invullen van een aantal basisgegevens, worden drie opties voor taxichauffeurs getoond: a. taxichauffeurs die geen chauffeurskaart of ondernemersvergunning hebben, kunnen (nog) niet actief worden op het Uber-platform; b. taxichauffeurs die een chauffeurskaart hebben maar geen ondernemersvergunning, kunnen gaan rijden voor een “Fleet Partner” als “driver under partner”.

Fleet Partners (of: wagenparkpartners) zijn chauffeurs die andere chauffeurs inzetten om vervoersdiensten te verrichten; c. taxichauffeurs die beschikken over een chauffeurskaart én een ondernemersvergunning, kunnen direct toegang krijgen tot het Uber-platform om als “zelfstandig Uber Partner” taxivervoer aan te bieden via de Uber-app. (viii) Om daadwerkelijk toegang te krijgen tot het Uber-platform dienen chauffeurs akkoord te gaan met de “Voorwaarden voor onafhankelijke Uber-partners”. In deze voorwaarden (versie geldig vanaf 12 juli 2020), is bepaald, voor zover hier van belang:

“Belangrijkste Principes Uber BV bezit de rechten van de Partner-app via welke u in contact komt met Passagiers. Met de Partner-app beschikt u over mogelijkheden om met een chauffeurskaart en/of taxivergunning Ritten aan te bieden aan Passagiers in Nederland. Wanneer u een Rit aanbiedt, sluit u een overeenkomst rechtstreeks met de Passagier. Als u akkoord gaat met deze Voorwaarden voor Uber-partners, doet u dit als zelfstandig ondernemer, niet als onze medewerker. U bepaalt zelf of, wanneer en waar u de Partner-app gebruikt.(…).” (ix) Uber wijzigt van tijd tot tijd eenzijdig de Voorwaarden, waarmee de chauffeurs bij het openen van de Uber-app dan voor gebruik eerst akkoord moeten gaan. (x) Na het inloggen op de Uber-app kan de chauffeur taxiritten aangeboden krijgen.

Aan de passagier wordt door Uber een verwachte ritprijs opgegeven. Bepalend voor de definitieve ritprijs is de uiteindelijke route die door de chauffeur, in overleg met de passagier, wordt gereden. (xi) De chauffeur heeft vervolgens de keuze om de rit te accepteren, te negeren of te weigeren door op een knop in de app te klikken. Nadat een rit door de chauffeur is geaccepteerd, kan hij deze rit alsnog annuleren. Bij een annuleringspercentage van meer dan 20% kan de toegang tot de Uber-app door Uber worden geblokkeerd. Na het volmaken van de rit, wordt de passagier gevraagd de chauffeur te waarderen op een schaal van 1 tot 5. (xii) Uber kan eenzijdig een chauffeur van de Uber-app uitsluiten. (xiii) Uber maakt bij het aanbieden van de rit via haar app gebruik van een algoritme.

Kort gezegd komt het erop neer dat het algoritme, op basis van alle relevante gegevens van alle chauffeurs en passagiers op een bepaald moment in een bepaalde groep, zoals opstapplaats en bestemming van de passagiers en locatie en rijrichting van de chauffeurs, bepaalt wie welke rit aangeboden krijgt. De chauffeur die de rit als eerste accepteert, krijgt de rit in beginsel toebedeeld. (xiv) De passagier betaalt de ritprijs aan Uber. Uber betaalt de chauffeurs wekelijks (of desgevraagd dagelijks) de totaalsom van gemaakte ritten uit via Uber Payments B.V.

Uber houdt op de ritprijs 25% aan servicekosten in. (xv) Uber behandelt en beslist geschillen tussen een passagier en een chauffeur, zoals over de ritprijs. Uber kan eenzijdig de door de passagier betaalde ritprijs (deels) retourneren, waarna de chauffeur het lagere bedrag krijgt uitbetaald. (xvi) Uber hanteert voor de chauffeurs de status of rang Gold, Platinum of Diamond. Om een bepaalde rang te bereiken moet een chauffeur naast een minimum aantal punten (verkregen met ritten), een beoordeling van ten minste 4,85 (uit 5) en een annuleringspercentage (zijnde het alsnog annuleren van de rit na acceptatie daarvan) van niet meer dan 4% hebben.

De status geeft de chauffeur voordelen ten aanzien van de ritten. Naast deze rangen hanteert Uber nog andere rangen, zoals UberPro, die van invloed zijn op de beloning. (xvii) FNV heeft Uber aangesproken op het naleven van de CAO Taxivervoer. Uber heeft dat geweigerd, waarbij zij zich op het standpunt stelt dat haar chauffeurs zelfstandigen zijn. 2.3 In deze procedure vordert FNV, voor zover thans van belang, dat: I. voor recht zal worden verklaard dat voor de periodes dat de CAO Taxivervoer algemeen verbindend verklaard is (geweest), de arbeidsvoorwaarden van deze CAO van toepassing zijn op de chauffeurs die zich in persoon jegens Uber hebben verbonden om personen met een personenauto te vervoeren over de weg;

II. Uber zal worden veroordeeld om over de periodes dat de CAO Taxivervoer algemeen verbindend verklaard is (geweest), deze integraal na te leven jegens de chauffeurs die haar daarom verzoeken en het (achterstallige) salaris te voldoen waarop zij ingevolge deze CAO recht hebben onder overlegging van een deugdelijke specificatie voor iedere maand waarin de chauffeur voor Uber werkzaam is geweest; III. meer specifiek, Uber zal worden veroordeeld om aan ieder van de onder I genoemde chauffeurs die haar daarom vraagt en haar daartoe de benodigde gegevens heeft verstrekt, onder overlegging van een deugdelijke specificatie, voor de periode dat de CAO algemeen verbindend is/was verklaard en hij voor Uber werkzaam is (geweest) een loon te voldoen overeenkomstig de CAO Taxivervoer;

IV. Uber zal worden veroordeeld tot betaling aan FNV van € 500.000, dan wel een door de kantonrechter in goede justitie te betalen bedrag aan schadevergoeding. 2.4 De rechtbank heeft, voor zover thans van belang: I. voor recht verklaard dat voor de periodes dat de CAO Taxivervoer algemeen verbindend verklaard is (geweest) de arbeidsvoorwaarden van deze CAO van toepassing zijn op de chauffeurs die zich in persoon jegens Uber hebben verbonden om personen met een personenauto te vervoeren over de weg; II. Uber veroordeeld om voor de periodes dat de CAO Taxivervoer algemeen verbindend verklaard is (geweest), deze integraal na te leven jegens de onder I bedoelde chauffeurs;

III. Uber veroordeeld tot betaling aan FNV van € 50.000, aan schadevergoeding. 2.5 In hoger beroep hebben de Chauffeurs zich gevoegd aan de zijde van Uber. Het hof heeft de volgende prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad:

1. Is het mogelijk dat, wanneer het (eventuele) ondernemerschap van een werker buiten beschouwing wordt gelaten, de tussen deze werker en diens opdrachtgever/werkgever gesloten overeenkomst kwalificeert als arbeidsovereenkomst, terwijl met het wel in beschouwing nemen van dat (eventuele) ondernemerschap, dezelfde overeenkomst niet als arbeidsovereenkomst kwalificeert? 2. Indien het antwoord op de eerste vraag bevestigend is, betekent dat dan dat de arbeidsrelatie ten aanzien van precies hetzelfde werk, verricht ten behoeve van dezelfde opdrachtgever/werkgever, verricht door de ene werker (niet zijnde een ondernemer) anders wordt gekwalificeerd dan de arbeidsrelatie ten aanzien van datzelfde werk verricht door een andere werker (wel zijnde een ondernemer)? 3.

Dient het aspect ‘ondernemerschap’, zoals genoemd in overweging 3.2.5 van voornoemd arrest van de Hoge Raad van 24 maart 2023, aldus te worden opgevat (visie 1) dat dit ondernemerschap zich beperkt tot die aspecten van ondernemerschap zoals die zich voordoen in de specifieke relatie tussen deze werker en deze opdrachtgever/werkgever (bijvoorbeeld ten aanzien van een grotere vrijheid van werktijden of werkplaats dan werknemers in een vergelijkbare situatie plegen te hebben, dan wel grotere winst- of verlieskansen dan werknemers in een vergelijkbare situatie plegen te hebben), of (visie 2) dat voor dit ondernemerschap ook van belang zijn aspecten die betrekking hebben op de (ondernemers)situatie van de desbetreffende werker buiten de specifieke relatie tussen deze werker en deze opdrachtgever/werkgever, of (visie 3) moet dit ondernemerschap op een nog andere manier worden uitgelegd? 4.

Kan een algemeen oordeel over de kwalificatie van de arbeidsrelatie van een groep werkers, allen werkzaam bij dezelfde opdrachtgever/werkgever, plaatsvinden in het kader van een vordering als bedoeld in art. 3 lid 2 Wet AVV of kan dit, gelet op de procedurele waarborgen die daarbij gelden, slechts geschieden in het kader van een procedure als bedoeld in art. 3:305a e.v. BW? 3Beantwoording van de prejudiciële vragen De eerste, tweede en derde prejudiciële vraag 3.1 In het Deliveroo-arrest heeft de Hoge Raad over de vraag wanneer een overeenkomst moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst het volgende overwogen (de nummering van omstandigheden in rov. 3.2.5 is toegevoegd; voetnoten zijn weggelaten):

“3.2.3 Om te kunnen beoordelen of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, moet door uitleg aan de hand van de Haviltexmaatstaf worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. 3.2.4 Als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Voor deze kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. 3.2.5 Of een overeenkomst moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst, hangt af van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien.

Van belang kunnen onder meer zijn [i] de aard en duur van de werkzaamheden, [ii] de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald, [iii] de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht, [iv] het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren, [v] de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen is tot stand gekomen, [vi] de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd, [vii] de hoogte van deze beloningen, en [viii] de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt.

Ook kan van belang zijn [ix] of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt. Het gewicht dat toekomt aan een contractueel beding bij beantwoording van de vraag of een overeenkomst als arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, hangt mede af van de mate waarin dat beding daadwerkelijk betekenis heeft voor de partij die de werkzaamheden verricht. 3.2.6 De vragen of aanleiding bestaat voor nadere algemene regels of uitgangspunten ten aanzien van omstandigheden die de kwalificatie als arbeidsovereenkomst bepalen, mede ter afgrenzing van het werken als zelfstandig ondernemer, zoals de vraag of aanleiding bestaat voor nadere invulling van het begrip in dienst van met de inbedding van het werk in de organisatie van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht, en of er aanleiding is voor het gebruik van een rechtsvermoeden voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst, bijvoorbeeld op grond van de hoogte van de tegenprestatie voor het werk, hebben de aandacht van de Nederlandse en Europese wetgever.

De Hoge Raad ziet daarom op dit moment geen aanleiding voor rechtsontwikkeling ter zake van deze onderwerpen.” 3.2 Uit het arrest van het hof van 3 oktober 2023 blijkt over de aanleiding voor het stellen van de prejudiciële vragen het volgende. Voor de beantwoording van de vraag of de verhouding tussen Uber en de voor haar werkzame chauffeurs is aan te merken als een arbeidsovereenkomst, heeft het hof de omstandigheden van het geval, in het bijzonder de in rov. 3.2.5 van het Deliveroo-arrest genoemde omstandigheden, besproken. (rov. 5.5) Over omstandigheid (ix), door het hof als ‘ondernemerschap’ aangeduid, hebben de Chauffeurs onbetwist gesteld dat zij hebben te gelden als ondernemer.

Het hof houdt er rekening mee dat voor een substantieel deel van de overige voor Uber werkzame chauffeurs sprake is van ondernemerschap. (rov. 5.5.7) Toepassing van de omstandigheden (i)-(viii) leidt ertoe dat de elementen die bijdragen aan de kwalificatie ‘arbeidsovereenkomst’ zwaarder wegen dan de elementen die daarvoor een contra-indicatie vormen. (rov. 5.6) Vervolgens heeft het hof in rov. 5.6 overwogen: “Indien het zijn van ondernemer van de Chauffeurs en een deel van de overige chauffeurs zou betekenen dat ook daarmee rekening houdend, alle omstandigheden van het geval (eerste zin van overweging 3.2.5 van het Deliveroo-arrest) tot de conclusie leiden dat de Aansluitingsovereenkomst niet kwalificeert als arbeidsovereenkomst en voor een ander deel van de overige chauffeurs wel (omdat niet dan wel onvoldoende gebleken is dat zij ondernemer zijn) dan zou dat betekenen dat precies dezelfde werkzaamheden uitgevoerd ten behoeve van Uber, in het ene geval wel worden verricht op basis van een arbeidsovereenkomst, en in het andere geval niet.

Dat lijkt in strijd te zijn met de onder andere door de Autoriteit Consument & Markt (…) gehanteerde opvatting, dat zelfstandigen die zij-aan-zij werken met werknemers – waarmee bedoeld wordt dat zij het zelfde werk uitvoeren – voor de mededingingswetgeving geacht worden geen ‘echte’ zelfstandigen te zijn, zodat zij anders dan echte zelfstandigen prijsafspraken mogen maken (…). Aan die, wat het hof betreft zeer ongewenste, consequentie (ene geval wel, andere niet) kan worden ontkomen door het element ‘ondernemerschap’ aldus op te vatten dat dit uitsluitend betrekking heeft op het ondernemerschap zoals zich dat in de onderhavige rechtsverhouding (in dit geval: tussen Uber en de Chauffeurs/chauffeurs) manifesteert (…).

Dat ‘interne’ ondernemerschap kan dan zien op aspecten zoals het commercieel risico (…) en op de winstmogelijkheden die de Chauffeurs/chauffeurs in de onderhavige relatie hebben. Met andere woorden, van belang is dan of de Chauffeurs/chauffeurs kunnen/moeten meedelen in de winst of het verlies van Uber, en de winst- of verlieskansen dus niet uitsluitend betrekking hebben op de hoeveelheid gewerkte uren en op de duur van de opdracht. Dat zou dan betekenen dat aspecten van (extern) ondernemerschap die zich helemaal buiten het gezichtsveld van Uber afspelen, zoals het aantal andere opdrachtgevers dat de Chauffeurs/chauffeurs naast Uber hebben, geen rol spelen.

Het hof is zich er echter van bewust dat in de derde volzin van overweging 3.2.5 van het Deliveroo-arrest het aantal andere opdrachtgevers wel expliciet genoemd is.” 3.3 Of een overeenkomst moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst, hangt af van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien (Deliveroo-arrest, rov. 3.2.5). De Hoge Raad heeft in het Deliveroo-arrest tussen de genoemde omstandigheden die onder meer van belang kunnen zijn, geen rangorde aangebracht. Op dit terrein is wetgeving in voorbereiding. De Hoge Raad ziet voor het aanbrengen van een rangorde ook thans geen aanleiding.

Ook de omstandigheid (ix) “of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt”, is niet als zodanig van ander gewicht dan de andere genoemde omstandigheden. 3.4 Niet uit te sluiten valt derhalve dat het voor het antwoord op de vraag of een overeenkomst te kwalificeren valt als arbeidsovereenkomst, verschil maakt of in aanmerking wordt genomen of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen als hiervoor in 3.3 bedoeld.

Het antwoord op de eerste prejudiciële vraag luidt derhalve bevestigend. 3.5 Uit het antwoord op de eerste prejudiciële vraag vloeit voort dat het zich kan voordoen dat de arbeidsrelatie ten aanzien van hetzelfde werk, verricht ten behoeve van dezelfde opdrachtgever/werkgever, ten aanzien van werkenden die zich in het economisch verkeer als ondernemer gedragen of kunnen gedragen als hiervoor in 3.3 bedoeld, anders te kwalificeren valt dan ten aanzien van andere werkenden. Het antwoord op de tweede prejudiciële vraag luidt derhalve ook bevestigend. 3.6.1 Ook de derde prejudiciële vraag heeft betrekking op de overweging in rov. 3.2.5, derde volzin, van het Deliveroo-arrest dat ook van belang kan zijn of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt.

Deze volzin bevat geen beperking tot omstandigheden die zich voordoen in de, door de te kwalificeren overeenkomst beheerste, verhouding tussen degene die de werkzaamheden verricht en de opdrachtgever/werkgever. Een beperking zoals in de derde prejudiciële vraag aangeduid als ‘visie 1’ verdraagt zich ook niet met het feit dat in rov. 3.2.5, tweede volzin, van het Deliveroo-arrest omstandigheden zijn genoemd die zich voordoen in de verhouding tussen degene die de werkzaamheden verricht en de opdrachtgever/werkgever en die al dan niet aanwijzingen kunnen vormen dat degene die de werkzaamheden verricht dat als ondernemer doet.

Te denken valt bijvoorbeeld aan de omstandigheid of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt. 3.6.2 Het antwoord op de derde prejudiciële vraag is derhalve dat de beoordeling of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, zoals bedoeld in rov. 3.2.5, derde volzin, van het Deliveroo-arrest, ook ziet op omstandigheden die zich niet in de, door de te kwalificeren overeenkomst beheerste, verhouding tussen degene die de werkzaamheden verricht en de opdrachtgever/werkgever voordoen.

De vierde prejudiciële vraag 3.7.1 In zijn arrest van 3 oktober 2023 heeft het hof, voor zover van belang, het volgende overwogen over de aanleiding voor de vierde prejudiciële vraag. Uber en de Chauffeurs hebben geconcludeerd dat FNV niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat de door FNV gevorderde verklaringen voor recht niet op grond van art. 3 Wet AVV kunnen worden gegeven. Zij hebben aangevoerd dat FNV haar vorderingen in het kader van een collectieve actie (art. 3:305a BW) had moeten instellen. (rov. 5.8.1) De wijze waarop FNV haar vorderingen heeft ingestoken (‘een verklaring voor recht met betrekking tot alle Uber chauffeurs’) maakt het niet goed mogelijk een onderscheid aan te brengen tussen de verschillende chauffeurs (rov. 5.8.2).

In het kader van een collectieve actie kunnen belanghebbenden aan de rechtbank te kennen geven zich uit de collectieve actie te ‘bevrijden’ (art. 1018f Rv), de zogenoemde ‘opt-out’. Aldus heeft de wetgever een regeling getroffen die het mogelijk maakt dat belanghebbenden niet tegen hun zin gebonden raken door een uitspraak in een procedure waarin zij zelf geen partij waren. (rov. 5.8.3) Art. 3 Wet AVV kent een dergelijke opt-out mogelijkheid niet. Dat is ook begrijpelijk, omdat de werking van algemeen verbindend verklaarde cao-bepalingen niet ter vrije bepaling van partijen staat.

Evenmin is dit zo voor de kwalificatie of een overeenkomst een arbeidsovereenkomst is. (rov. 5.8.4) Niet uitgesloten is dat sommige chauffeurs op basis van een arbeidsovereenkomst werken en anderen niet. Niet uitgesloten is dat de ene groep anders moet worden beoordeeld dan de andere. Art. 3 Wet AVV lijkt niet erin te voorzien een dergelijk onderscheid aan te brengen, biedt althans geen procedurele waarborgen om dat te bereiken. De art. 3:305a e.v. BW en de daarop voortbouwende art. 1018b e.v. Rv kennen die waarborgen wel. Het hof acht het van groot maatschappelijk belang dat de Hoge Raad zich erover uitlaat of een collectieve vordering strekkende tot het kwalificeren van een tussen partijen bestaande verhouding als arbeidsovereenkomst op grond van art. 3:305a e.v.

BW moet worden ingesteld, dan wel of het ook mogelijk is om dat op grond van art. 3 Wet AVV te doen. (rov. 5.8.5) Voorts heeft het hof in rov. 3.7 van zijn arrest van 13 februari 2024 de vierde prejudiciële vraag laten voorafgaan door de volgende overweging: “In overweging 3.2.5 van het arrest van de Hoge Raad van 24 maart 2023 (ECLI:NL:HR:2023:443) is vermeld dat het van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien afhangt of een overeenkomst moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst. Daarmee is denkbaar dat de situatie van de ene werker bij een opdrachtgever/werkgever afwijkt van die van de andere werker bij die opdrachtgever/werkgever.

Ook is denkbaar dat de situatie van de ene groep werkers afwijkt van die van een andere groep werkers, allen bij dezelfde opdrachtgever/werkgever. Gelet op deze overweging heeft het hof de volgende prejudiciële vraag: (…).” 3.7.2 Ingevolge art. 3 lid 1 Wet AVV is ieder beding tussen de werkgever en de werknemer dat strijdig is met algemeen verbindend verklaarde cao-bepalingen nietig en gelden in plaats daarvan de algemeen verbindend verklaarde cao-bepalingen. Op grond van art. 3 lid 2 Wet AVV kunnen werkgevers- en werknemersverenigingen met leden die partij zijn bij een arbeidsovereenkomst waarop de algemeen verbindend verklaarde cao-bepalingen van toepassing zijn, steeds de nietigheid inroepen van met die cao-bepalingen strijdige bedingen.

In deze bevoegdheid om de nietigheid in te roepen ligt het recht besloten om nakoming van algemeen verbindend verklaarde cao-bepalingen te vorderen. Een redelijke uitleg van art. 3 lid 2 Wet AVV brengt mee dat de daar bedoelde werkgevers- en werknemersverenigingen ook de nietigheid kunnen inroepen van bedingen in een overeenkomst die een werkgever en een werknemer ten onrechte niet beschouwen als een arbeidsovereenkomst, en dat zij nakoming kunnen vorderen van de algemeen verbindend verklaarde cao-bepalingen die op de arbeidsovereenkomst van toepassing zijn.

Deze uitleg strookt met de bedoeling van de wetgever om (onder meer) met art. 3 lid 2 Wet AVV een effectieve civielrechtelijke handhaving van algemeen verbindend verklaarde cao-bepalingen mogelijk te maken. 3.7.3 Hetgeen hiervoor in 3.7.2 is overwogen brengt mee dat de rechter in het kader van een vordering op de voet van art. 3 lid 2 Wet AVV gehouden kan zijn te beoordelen of tussen een werkgever/opdrachtgever en werkenden gesloten overeenkomsten kunnen worden gekwalificeerd als arbeidsovereenkomsten waarop algemeen verbindend verklaarde cao-bepalingen van toepassing zijn.

Hieraan doet niet af dat de werkenden niet als partij zijn betrokken in de procedure en dat niet dezelfde procedurele waarborgen gelden als in het kader van een door een werknemersvereniging ingestelde collectieve actie op de voet van art. 3:305a BW (waaronder de ‘opt-out’-mogelijkheid van art. 1018f Rv). Ingevolge art. 3 lid 2 Wet AVV hebben de in die bepaling bedoelde verenigingen een eigen recht om de nietigheid in te roepen van bedingen die strijdig zijn met algemeen verbindend verklaarde cao-bepalingen en nakoming van deze cao-bepalingen te vorderen.

Anders dan in het kader van een collectieve actie (ingevolge het in art. 3:305a lid 2 BW opgenomen representativiteitsvereiste), hoeft een werknemersvereniging in het kader van een vordering op grond van art. 3 lid 2 Wet AVV niet aan te tonen dat zij beschikt over voldoende steun van de werkenden. Ook komt aan een mogelijk kwalificatieoordeel van de rechter in een procedure op de voet van art. 3 lid 2 Wet AVV – anders dan aan een uitspraak in een collectieve actie, die in beginsel bindend is voor alle personen die behoren tot de nauw omschreven groep personen wier belangen in de collectieve vordering worden behartigd (art. 1018f Rv en art. 1018k Rv) – geen gezag van gewijsde toe in een latere procedure tussen de werkende en de werkgever/opdrachtgever, nu de werkende geen partij was in eerstbedoelde procedure (art. 236 lid 1 Rv). 3.7.4 De rechter zal in een procedure op de voet van art. 3 lid 2 Wet AVV geen algemeen oordeel kunnen geven over de kwalificatie van tussen de werkgever/opdrachtgever en werkenden gesloten overeenkomsten indien blijkt dat de individuele omstandigheden van de (groepen) werkenden daarvoor te veel uiteenlopen.

Voor zover de rechter bij de kwalificatie van de overeenkomsten wel oordelen kan geven voor bepaalde (groepen) werkenden, kan de rechter dit tot uitdrukking brengen in het dictum van de uitspraak, bijvoorbeeld op de wijze zoals voorgesteld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 14.5. 3.7.5 Het antwoord op de vierde prejudiciële vraag is derhalve dat een algemeen oordeel over de kwalificatie van overeenkomsten van werkenden met dezelfde opdrachtgever/werkgever kan plaatsvinden in het kader van een vordering als bedoeld in art. 3 lid 2 Wet AVV en dat dit niet slechts mogelijk is in het kader van een procedure als bedoeld in art. 3:305a e.v.

BW. 4Beslissing De Hoge Raad: - beantwoordt de vragen op de hiervoor in 3.4, 3.5, 3.6.2 en 3.7.5 weergegeven wijze; - begroot de kosten van deze procedure op de voet van art. 393 lid 10 Rv op € 1.800,-- aan de zijde van Uber, op € 1.800,-- aan de zijde van de Chauffeurs en op € 1.800,-- aan de zijde van FNV. Deze beslissing is gegeven door de president G. de Groot als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 21 februari 2025.

ECLI:NL:HR:2023:443. Rechtbank Amsterdam 13 september 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:5029. Gerechtshof Amsterdam 13 februari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:601. HR 23 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443. Gerechtshof Amsterdam 3 oktober 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2220. Vgl. het advies van de Raad van State van 7 november 2024, W12.24.00156/III, over het wetsvoorstel tot wijziging van Boek 7 BW in verband met het verduidelijken van wanneer sprake is van werken in dienst van een ander in de zin van artikel 610 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en het invoeren van een rechtsvermoeden (VBAR), en Richtlijn (EU) 2024/2831 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2024 betreffende de verbetering van de arbeidsvoorwaarden bij platformwerk, PbEU 2024, L 2831, te implementeren uiterlijk 2 december 2026.

Vgl. HR 19 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:413, rov. 3.3.2. Vgl. Kamerstukken II 1936/37, 274, nr. 3, p. 5.