ECLI:NL:HR:2025:206 · Hoge Raad
Legislator summary
AI generatedHOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/00530 Datum 11 februari 2025 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 7 februari 2023, nummer 22-000082-21, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, hierna: de verdachte.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:HR:2025:206 · Hoge Raad: HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/00530 Datum 11 februari 2025 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 7 februari 2023, nummer 22-000082-21, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, hierna: de verdachte.
Full text
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/00530 Datum 11 februari 2025 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 7 februari 2023, nummer 22-000082-21, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.M.M. Heilbron, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2Beoordeling van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt dat het hof in strijd met artikel 359 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de mogelijkheid niet is uit te sluiten dat een ander dan de verdachte het bewezenverklaarde feit heeft gepleegd. 2.2 Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal. 3Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2025.