Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2025:1903 ECLI:NL:HR:2025:1903 AI generated

ECLI:NL:HR:2025:1903 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2025:1903
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN VIERDE KAMER Nummer 25/03329 Datum 12 december 2025 BESLISSING in de zaak van [verzoekster] te [plaats] (hierna: verzoekster) betreffende het door verzoekster ingediende verzoek tot wraking van de hierna te noemen leden van de Hoge Raad. 1De procedure 1.1 Verzoekster heeft beroep in cassatie ingesteld in de zaken die bij belastingkamer van de Hoge Raad zijn ingeschreven onder de nummers 24/02183, 24/03421 en 24/03977. Bij bericht van 4 september 2025 is aan verzoekster meegedeeld dat op 12 september 2025 in de hiervoor genoemde zaken uitspraak zal worden gedaan.

Legislator headnote

AI generated

art. 8:15 Awb; ECLI:NL:HR:2025:1903 · Hoge Raad: Ingevolge art. 29 AWR is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op de behandeling van het beroep in cassatie in belastingzaken. 2.2 Bij de beoordeling van het verzoek tot wraking moet worden vooropgesteld dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. 2.3 Verzoekster legt aan haar wrakingsverzoek onder meer ten grondslag dat de nevenactiviteiten van één van de leden van de Hoge Raad tegen wie het wrakingsverzoek is gericht niet gepubliceerd zijn in het daarvoor bestemde register.

Keywords

AI generated
art. 8:15 Awb

Cited Legislation

AI generated
art. 8:15 Awb
2Beoordeling van het wrakingsverzoek 2.1 Op grond van art. 8:15 Awb kan elk van de rechters die een zaak behandelen, door een partij worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2018:1770
25 september 2018 Strafkamer nr.
ECLI:NL:HR:2025:87
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 24/02772 Datum 17 januari 2025 BESCHIKKING op een vordering tot cassatie in het belang der wet, ingesteld door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden en gericht tegen de beschikking in de zaak C2023/1813 van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg van 6 december 2023. 1Procesverloop Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C2023/1813 van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg van 6 december 2023.
ECLI:NL:HR:2025:1200
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN VIERDE KAMER Nummer 25/02071 Datum 18 juli 2025 BESLISSING in de zaak van [verzoeker] te [plaats] (hierna: verzoeker) betreffende het door verzoeker ingediende verzoek tot wraking van hierna te noemen leden van de Hoge Raad. 1De procedure 1.1. Verzoeker heeft beroep in cassatie ingesteld in de zaak die bij de belastingkamer van de Hoge Raad is ingeschreven onder nummer 24/04767. Bij bericht van 28 mei 2025 is aan verzoeker meegedeeld dat op 6 juni 2025 in de hiervoor genoemde zaak uitspraak zal worden gedaan. Tevens is daarbij meegedeeld dat de beslissing wordt genomen door de leden van de Hoge Raad J.A.R. van Eijsden, M.T.
ECLI:NL:HR:2022:492
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN VIERDE KAMER Nummer 21/04294 Datum 1 april 2022 BESLISSING in de zaak van [verzoekster] te [plaats] (hierna: verzoekster) betreffende het door verzoekster ingediende verzoek tot wraking van de hierna te noemen leden van de Hoge Raad. 1De procedure 1.1 Verzoekster heeft bij de Hoge Raad beroep in cassatie ingesteld in de zaak die bij de belastingkamer van de Hoge Raad is ingeschreven onder nummer 21/03064. Bij bericht van 7 oktober 2021 is aan verzoekster meegedeeld dat op 15 oktober 2021 in de hiervoor genoemde zaak uitspraak zal worden gedaan.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN VIERDE KAMER Nummer 25/03329 Datum 12 december 2025 BESLISSING in de zaak van [verzoekster] te [plaats] (hierna: verzoekster) betreffende het door verzoekster ingediende verzoek tot wraking van de hierna te noemen leden van de Hoge Raad. 1De procedure 1.1 Verzoekster heeft beroep in cassatie ingesteld in de zaken die bij belastingkamer van de Hoge Raad zijn ingeschreven onder de nummers 24/02183, 24/03421 en 24/03977. Bij bericht van 4 september 2025 is aan verzoekster meegedeeld dat op 12 september 2025 in de hiervoor genoemde zaken uitspraak zal worden gedaan.

Tevens is daarbij meegedeeld dat de beslissing wordt genomen door de leden van de Hoge Raad J.A.R. van Eijsden, A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij. 1.2 Bij op 11 september 2025 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen faxbericht heeft verzoekster de wraking verzocht van de hiervoor in 1.1 vermelde leden van de Hoge Raad. 1.3 De leden van de Hoge Raad tegen wie het wrakingsverzoek is gericht, hebben meegedeeld dat zij niet in de wraking berusten en dat zij afzien van de mogelijkheid te worden gehoord. 1.4 Het verzoek is op 30 september 2025 mondeling behandeld.

Verzoekster is verschenen. 1.5 De Advocaat-Generaal W.L. Valk heeft op 7 november 2025 geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek tot wraking van mrs. J.A.R. van Eijsden, W.A.P. van Roij en A.E.H. van der Voort Maarschalk, wat betreft de laatstgenoemde met inachtneming van hetgeen in overweging ‎4.26-‎4.28 van de conclusie is opgemerkt. Verzoekster is in de gelegenheid gesteld om op de conclusie van de Advocaat-Generaal te reageren. Van die gelegenheid heeft zij niet binnen de daartoe gestelde termijn gebruik gemaakt. 2Beoordeling van het wrakingsverzoek 2.1 Op grond van art. 8:15 Awb kan elk van de rechters die een zaak behandelen, door een partij worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Ingevolge art. 29 AWR is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op de behandeling van het beroep in cassatie in belastingzaken. 2.2 Bij de beoordeling van het verzoek tot wraking moet worden vooropgesteld dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. 2.3 Verzoekster legt aan haar wrakingsverzoek onder meer ten grondslag dat de nevenactiviteiten van één van de leden van de Hoge Raad tegen wie het wrakingsverzoek is gericht niet gepubliceerd zijn in het daarvoor bestemde register.

Zoals blijkt uit de conclusie van de Advocaat-Generaal (onder 4.17 - 4.19) was dit ten tijde van de indiening van het verzoek inderdaad het geval; daaraan lag een technisch probleem ten grondslag, dat inmiddels is hersteld. De nevenfuncties van de desbetreffende raadsheer zijn gepubliceerd en een afschrift daarvan is met de conclusie van de Advocaat-Generaal aan verzoekster gezonden. Van de gelegenheid om daarop te reageren heeft zij geen gebruik gemaakt. De enkele omstandigheid dat de nevenfuncties enige tijd niet gepubliceerd waren in het daarvoor bestemde register, levert geen zwaarwegende aanwijzing op dat de raadsheer jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert, en evenmin dat daarvoor een objectief gerechtvaardigde vrees bestaat. 2.4 Daarnaast vermeldt verzoekster dat de andere leden van de Hoge Raad tegen wie het wrakingsverzoek is gericht, onvoldoende distantie zouden hebben om het beroep in cassatie te kunnen behandelen en beoordelen.

Verzoekster verwijst daarvoor naar functies die de betrokken raadsheren hebben uitgeoefend. De door verzoekster genoemde omstandigheden betreffen functies die de raadsheren in het (verre) verleden hebben uitgeoefend en rechtvaardigen niet de daaruit door verzoekster getrokken conclusie dat zij ten aanzien van haar vooringenomen zijn en evenmin dat daarvoor een objectief gerechtvaardigde vrees bestaat. 2.5 Verzoekster baseert haar verzoek tot wraking tevens op de bewering dat de beslissing in de zaak bij de belastingkamer al zou zijn genomen voordat zij haar gronden kenbaar heeft kunnen maken.

Een aankondiging van een beslissing, waaruit een voornemen om uitspraak te doen kan worden afgeleid, geeft echter geen grond tot gerechtvaardigde twijfel omtrent de onpartijdigheid van de betrokken rechters. De door verzoekster genoemde omstandigheden dat zij niet in staat is gesteld griffierecht te betalen en de gronden van haar beroep aan te vullen vormen evenmin een grond voor wraking. Nog niet duidelijk is of zij daartoe nog in staat zal worden gesteld en de enkele aankondiging van een uitspraak houdt nog geen oordeel in. Die aankondiging biedt dan ook geen grond om partijdigheid van de betrokken leden van de Hoge Raad op te baseren. 2.6 Ook de overige door de verzoekster aangevoerde gronden rechtvaardigen die conclusie niet.

Het wrakingsverzoek is dus ongegrond en zal daarom worden afgewezen. 3Beslissing De Hoge Raad wijst af het verzoek tot wraking van J.A.R. van Eijsden, A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij. Deze beslissing is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek en F.J.P. Lock, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2025. HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1770, rov. 4.2.1 en HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:87, rov. 3.4.

HR 18 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:1200, rov. 2.5. HR 1 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:492, rov. 2.6.