Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2025:1665 ECLI:NL:HR:2025:1665 AI generated

ECLI:NL:HR:2025:1665 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2025:1665
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 24/00781 Datum 7 november 2025 ARREST In de zaak van AIRGAS USA LLC, gevestigd te Radnor, Pennsylvania, Verenigde Staten van Amerika, EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep, hierna: Airgas, advocaten: B.T.M. van der Wiel en T. van Tatenhove, tegen UNIVERSAL AFRICA LINES LTD., gevestigd te Limassol, Cyprus, VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep, hierna: UAL, advocaat: S.L. Haanschoten. 1Procesverloop Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar: a. de vonnissen in de zaak C/10/434781 / HA ZA 13-1039 van de rechtbank Den Haag van 6 augustus 2014 en 25 januari 2017; b. de arresten in de zaak 200.227.424/01 van het gerechtshof Den Haag van 23 april 2019, 26 november 2019, 10 november 2020 en 5 december 2023.

Legislator headnote

AI generated

art. 8:397 BW, art. 8:383 lid 3 BW; ECLI:NL:HR:2025:1665 · Hoge Raad: “2.10 Het hof stelt voorop dat art. 3 lid 1 Rome-I Vo er niet aan in de weg staat dat bij een (partiële) rechtskeuze voor het Nederlandse recht de reikwijdte daarvan in die zin wordt beperkt dat een uitzondering wordt gemaakt voor zeevervoer vanaf en naar een Amerikaanse haven. Voor dat geval verklaart de (…) Paramount clause de bepalingen van US Cogsa van toepassing. Uit de bewoordingen van het beding – ‘(…) subject to the provisions of the Carriage of Goods by Sea Act of the United States (...), which shall be deemed to be incorporated herein, and nothing herein contained shall be deemed a surrender by the carrier of any of its rights or immunities or an increase of any of its responsibilities or liabilities under said Act.

Keywords

AI generated
art. 8:397 BW art. 8:383 lid 3 BW

Cited Legislation

AI generated
art. 8:397 BW
Dat laatstgenoemde bepaling – die overeenkomt met Rule 4(6) van de Hague Visby Rules – niet van dwingend recht is, is ook in overeenstemming met de Nederlandse opvattingen, zoals blijkt uit art. 8:397 BW dat eenzelfde strekking heeft als art.
art. 8:383 lid 3 BW
4(3) Hague (Visby) Rules en aan art. 8:383 lid 3 BW.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBROT:2017:953
vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team haven en handel zaaknummer / rolnummer: C/10/434781 / HA ZA 13-1039 Vonnis van 25 januari 2017 in de zaak van de rechtspersoon naar het recht van Cyprus UNIVERSAL AFRICA LINES LTD, gevestigd te Limassol, Cyprus, eiseres, advocaat mr. M.M. van Leeuwen, tegen de rechtspersoon naar het recht van de Verenigde Staten van Amerika, AIRGAS SPECIALTY GASES INC, gevestigd te Radnor, Pennsylvania, Verenigde Staten van Amerika, gedaagde, advocaat mr. M. Verhagen. Partijen zullen hierna UAL en Airgas genoemd worden. 1De procedure 1.1.
ECLI:NL:GHDHA:2023:2780
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.227.424/01 Zaaknummer rechtbank : C/10/434781/HA ZA 13-1039 arrest van 5 december 2023 inzake Airgas USA LLC, gevestigd te Radnor, Pennsylvania, Verenigde Staten van Amerika, appellante, hierna te noemen: Airgas, advocaat: mr. M. Verhagen te Rotterdam, tegen Universal Africa Lines Ltd., gevestigd te Limassol, Cyprus, geïntimeerde, hierna te noemen: UAL, advocaat: mr. M.M. van Leeuwen te Rotterdam. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Het verloop van het geding in hoger beroep na het tussenarrest van 30 maart 2021 blijkt uit: - het deskundigenbericht van 18 juli 2022; - de beschikking ex art. 199 Rv van 6 oktober 2022; - de memorie na deskundigenbericht van Airgas van 29 november 2022, met producties; - de memorie na deskundigenbericht van UAL van 21 februari 2023. 1.2 Vervolgens zijn de (aanvullende) stukken overgelegd voor arrest en heeft het hof arrest bepaald. 2De verdere beoordeling 2.1 Het hof heeft in het tussenarrest van 10 november 2020 vragen ter beantwoording voorgelegd aan de deskundigen Van der Zande en Masson (hierna: de deskundigen). 2.2 De deskundigen hebben hierop in hun rapport van 18 juli 2022, samengevat, het volgende geconcludeerd.
ECLI:NL:HR:2005:AR3645
Het geding in feitelijke instanties Eiseres tot cassatie - verder te noemen: DIO - heeft bij exploot van 18 juni 1997 verweerster in cassatie - verder te noemen: IMS - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd het Interim Award van 7 maart 1994 en het Final Award van 3 februari 1997, gewezen te 's-Gravenhage tussen DIO als verweerster (in conventie tevens eiseres in reconventie) en IMS als eiseres (in conventie tevens verweerster in reconventie) in de arbitrage overeenkomstig het ICC-Reglement onder nr. 7373 te vernietigen en IMS te veroordelen in de kosten van deze procedure. IMS heeft de vordering bestreden. De rechtbank heeft bij vonnis van 2 augustus 2000 beide arbitrale vonnissen vernietigd. Tegen dit vonnis heeft IMS hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. DIO heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 27 maart 2003 heeft het hof het vonnis waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van DIO afgewezen. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:1986:AB8727
Het geding in feitelijke instanties Op 26 maart 1982 heeft eiser tot cassatie - verder te noemen [eiser] - zich gewend tot de Kantonrechter te Amsterdam met het verzoek verweerster in cassatie - verder aan te duiden met SLM - te veroordelen, aan [eiser] te voldoen een bedrag van f. 14.499, -- , een bedrag van f. 14.000, -- zijnde het door SLM aan hem verschuldigde salaris over de periode januari/februari 1982 en een bedrag van f. 7.000, -- per maand met ingang van 1 maart 1982 totdat het dienstverband op regelmatige wijze zal zijn geëindigd. Nadat SLM tegen die vordering verweer had gevoerd, heeft de Kantonrechter bij vonnis van 14 januari 1983 SLM veroordeeld aan [eiser] f. 27.933,32 te betalen. Tegen dit vonnis heeft SLM hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Amsterdam. Bij vonnis van 9 mei 1984 heeft de Rechtbank het vonnis van de Kantonrechter vernietigd en de vordering alsnog afgewezen. Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:1968:AB5254
19 januari 1968 Br. DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN, in de zaak nr. 10.108 van [eiser] , wonende te [woonplaats], eiser tot cassatie van een tussen partijen gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 18 november 1966, vertegenwoordigd door Mr. S.K. Martens, advocaat bij de Hoge Raad, tegen [verweerder] , wonende te [woonplaats], verweerder in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. A.G. Maris, mede advocaat bij de Hoge Raad; Gehoord partijen; Gehoord de Advocaat-Generaal Minkenhof, namens de Procureur-Generaal, in haar conclusie strekkende tot verwerping van het beroep met veroordeling van eiser in de daarop gevallen kosten;

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 24/00781 Datum 7 november 2025 ARREST In de zaak van AIRGAS USA LLC, gevestigd te Radnor, Pennsylvania, Verenigde Staten van Amerika, EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep, hierna: Airgas, advocaten: B.T.M. van der Wiel en T. van Tatenhove, tegen UNIVERSAL AFRICA LINES LTD., gevestigd te Limassol, Cyprus, VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep, hierna: UAL, advocaat: S.L. Haanschoten. 1Procesverloop Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar: a. de vonnissen in de zaak C/10/434781 / HA ZA 13-1039 van de rechtbank Den Haag van 6 augustus 2014 en 25 januari 2017; b. de arresten in de zaak 200.227.424/01 van het gerechtshof Den Haag van 23 april 2019, 26 november 2019, 10 november 2020 en 5 december 2023.

Airgas heeft tegen het arrest van het hof van 5 december 2023 beroep in cassatie ingesteld.UAL heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor Airgas mede door H.A.A. Essebai. De conclusie van de Advocaat-Generaal G. Snijders strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep en het onbehandeld laten van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep. De advocaten van Airgas hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd. 2Uitgangspunten en feiten 2.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (i) UAL was de bevrachter van het motorschip ‘UAL Antwerp’ (hierna: het schip) toen aan boord van het schip negen ‘shipper owned’ geïsoleerde tankcontainers met volgens opgave gekoelde vloeibare ethyleen als deklading werden vervoerd vanuit port of loading Houston (Texas, Verenigde Staten) naar port of discharge Soyo (Angola) onder een op het formulier van UAL gesteld cognossement dat is afgegeven namens UAL als vervoerder. (ii) Op de achterzijde van het cognossement zijn cognossementsvoorwaarden voorgedrukt.

Art. 1 daarvan (‘Definitions’) bevat onder (B) een Merchant Clause: “Merchant shall include the shipper, the receiver, the consignee, the holder of this bill of lading and the owner of the cargo.” (iii) Art. 2 van de cognossementsvoorwaarden behelst een rechtskeuzebeding met Clause Paramount dat luidt: “The law of The Netherlands, in which the Hague-Visby Rules are incorporated, shall apply. Nevertheless if the law of any other country would be compulsorily applicable, the Hague-Visby Rules as laid down in the Treaty of Brussels of 25th August 1924 and amended in the Protocol of Brussels of 23rd February 1968 shall apply, save where the Hamburg Rules of the UN Convention of the Carriage of Goods by Sea of 1978 would apply compulsorily, in which case the Hamburg Rules shall apply.

If any stipulation, exception and condition of these conditions would be found inconsistent with The Hague-Visby Rules or Hamburg Rules, or any compulsory law, only such stipulation, exception and condition or part thereof, as the case may be, shall be invalid. In case of carriage by sea from or to a port of the USA, this Bill of Lading shall have effect subject to the provisions of the Carriage of Goods by Sea Act of the United States, approved 16th April 1936, which shall be deemed to be incorporated herein, and nothing herein contained shall be deemed a surrender by the carrier of any of its rights or immunities or an increase of any of its responsibilities or liabilities under said Act.

The provisions stated in said Act shall, except as may be otherwise specifically provided herein, govern before the goods are loaded on and after they are discharged from the ship and throughout the entire time the goods are in custody of the carrier. The carrier shall not be liable in any capacity whatsoever for any delay, non-delivery or mis-delivery, or loss of or damage to the goods occurring while the goods are not in the actual custody of the carrier.” (iv) Art. 20 van de cognossementsvoorwaarden luidt: “Dangerous goods (...) c. (...) The merchant agrees to indemnify the carrier against all consequences and liabilities arising out of the shipment or acceptance of hazardous or dangerous goods (...) whether or not the nature thereof is known to the carrier unless the merchant proves that such consequences or liabilities are or were caused directly by negligence of the carrier, his servants or agents.” (v) De gekoelde vloeibare ethyleen in de tankcontainers is een gevaarlijke stof. (vi) In strijd met het bepaalde in de International Maritime Dangerous Goods Code van de International Maritime Organization waren nagenoeg alle tankcontainers met vloeibare ethyleen van Airgas te dicht bij containers van een andere afzender gestuwd. (vii) Tijdens losoperaties in Luanda (Angola) op 25 juni 2011 hebben een of meer explosies plaatsgevonden en is brand uitgebroken aan boord van het schip (hierna: het incident), met schade aan het schip en de lading tot gevolg. 2.2 UAL vordert in deze procedure onder meer een verklaring voor recht dat Airgas aansprakelijk is voor alle gevolgen van het incident en veroordeling van Airgas tot vergoeding van de schade die UAL als gevolg van het incident heeft geleden. 2.3 De rechtbank heeft, voor zover van belang, de vorderingen van UAL toegewezen. 2.4 Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en heeft daartoe, voor zover van belang, het volgende overwogen:

“2.10 Het hof stelt voorop dat art. 3 lid 1 Rome-I Vo er niet aan in de weg staat dat bij een (partiële) rechtskeuze voor het Nederlandse recht de reikwijdte daarvan in die zin wordt beperkt dat een uitzondering wordt gemaakt voor zeevervoer vanaf en naar een Amerikaanse haven. Voor dat geval verklaart de (…) Paramount clause de bepalingen van US Cogsa van toepassing. Uit de bewoordingen van het beding – ‘(…) subject to the provisions of the Carriage of Goods by Sea Act of the United States (...), which shall be deemed to be incorporated herein, and nothing herein contained shall be deemed a surrender by the carrier of any of its rights or immunities or an increase of any of its responsibilities or liabilities under said Act.

The provisons stated in said Act shall, except as may be otherwise specifically provided herein, govern (…)’ – volgt dat de van toepassing verklaring van US Cogsa geen (andere) ruimte laat voor afwijking van het daarin vervatte aansprakelijkheidsregime ten gunste van (al dan niet dwingende bepalingen uit) het (voor het overige vervoer gekozen) Nederlandse recht. De rechtskeuze is geldig, ook onder US Cogsa, dat zichzelf dwingendrechtelijk toepasselijk verklaart voor ieder zeevervoer vanaf Amerikaanse havens (art. 10 lid 1 Rome-I). De vervoerovereenkomst voorziet voor het zich hier voordoende geval van cognossementsvervoer vanaf Houston in een toepasselijkverklaring van de bepalingen van US Cogsa, waarbij aan het overigens gekozen Nederlandse recht aanvullende werking toekomt. 2.11 Tussen partijen is verder in geschil of art. 20 sub c van de cognossementscondities nietig is op grond van par. 1303(8) US Cogsa. (…) 2.12 Anders dan Airgas betoogt, is art. 20 sub c van de cognossementscondities rechtsgeldig onder het toepasselijke recht.

Par. 1303(8) US Cogsa bepaalt dat nietig zijn contractuele beperkingen van de vervoerdersaansprakelijkheid voor de in par. 1303 bedoelde zorgplichten, maar niet dat (ook) de in par. 1304(6) geregelde aansprakelijkheid van de afzender voor de gevolgen van vervoer van gevaarlijke stoffen van dwingend recht is. Dat laatstgenoemde bepaling – die overeenkomt met Rule 4(6) van de Hague Visby Rules – niet van dwingend recht is, is ook in overeenstemming met de Nederlandse opvattingen, zoals blijkt uit art. 8:397 BW dat eenzelfde strekking heeft als art. 20 sub c van de cognossementscondities.

Deze cognossementsbepaling is derhalve niet in strijd met op dit geval toepasselijk dwingend recht.” 3Beoordeling van het middel in het principale beroep 3.1.1 De onderdelen 1.1 en 1.2 van het middel richten zich tegen het oordeel van het hof (in rov. 2.10) dat voor het geval van zeevervoer van en naar een Amerikaanse haven art. 2 cognossementsvoorwaarden voorziet in toepasselijkverklaring van de bepalingen van de US Cogsa, waarbij aan het overigens in die bepaling gekozen Nederlandse recht aanvullende werking toekomt. De onderdelen klagen in de kern dat de toepasselijkverklaring van de US Cogsa geen conflictenrechtelijke rechtskeuze kan opleveren omdat de US Cogsa geen rechtsstelsel is, maar slechts een deel van een rechtsstelsel, en dat deze toepasselijkverklaring daarom niet de bepalingen van dwingend recht van het in art. 2 cognossementsvoorwaarden gekozen Nederlandse recht opzij kan zetten. 3.1.2 Art. 3 lid 1 Verordening Rome I bepaalt dat een overeenkomst wordt beheerst door het recht dat de partijen hebben gekozen.

Bij hun keuze kunnen de partijen het toepasselijke recht aanwijzen voor een overeenkomst in haar geheel of voor slechts een onderdeel daarvan. Een rechtskeuze als bedoeld in art. 3 lid 1 Verordening Rome I ten aanzien van een onderdeel van de overeenkomst (in de vorm van een partiële of een dépeçerende rechtskeuze) heeft tot gevolg dat de bepalingen van het voor dat onderdeel aangewezen recht van toepassing zijn, ook waar zij zouden afwijken van dwingende rechtsregels die overigens op die overeenkomst van toepassing zijn. 3.1.3 Anders dan de onderdelen 1.1 en 1.2 tot uitgangspunt nemen, is bij een rechtskeuze op de voet van art. 3 lid 1 Verordening Rome I (zie hiervoor in 3.1.2) niet uitgesloten dat partijen een deel van een statelijk rechtsstelsel, en niet dat stelsel in zijn geheel, als het toepasselijke recht aanwijzen.

Het oordeel van het hof dat de toepasselijkverklaring van de US Cogsa voor zeevervoer van en naar een Amerikaanse haven een geldige rechtskeuze oplevert, die meebrengt dat voor dat vervoer aan het overigens door partijen gekozen Nederlandse recht slechts aanvullende werking toekomt, geeft dan ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De onderdelen falen. 3.2.1 Onderdeel 3 bestrijdt het oordeel van het hof in rov. 2.12 dat art. 20 onder c cognossementsvoorwaarden rechtsgeldig is onder het toepasselijke recht, te weten de US Cogsa. 3.2.2 De onderdelen 3.1 en 3.2 klagen onder meer dat het hof met dit oordeel art. 1303(8) en art. 1304(3) US Cogsa heeft miskend.

Volgens de onderdelen kan het oordeel van het hof op dit punt in cassatie op juistheid worden onderzocht, omdat art. 1303(8) US Cogsa identiek is aan art. 3(8) Hague (Visby) Rules en art. 1304(3) US Cogsa identiek is aan art. 4(3) Hague (Visby) Rules en aan art. 8:383 lid 3 BW. 3.2.3 Indien de rechter, in een geval waarin naast het Nederlandse rechtsstelsel een of meer buitenlandse rechtsstelsels voor toepassing in aanmerking (zouden) kunnen komen, de anti-kiesregel toepast, kan in cassatie gelet op art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO de juistheid van zijn oordeel alleen naar Nederlands recht worden beoordeeld.

Het hof heeft in dit geval echter niet de anti-kiesregel toegepast, maar is uitgegaan van de toepasselijkheid van de US Cogsa. Het oordeel van het hof in rov. 2.12 berust dus uitsluitend op toepassing van de US Cogsa. Gelet op art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO kan dat oordeel in cassatie niet op juistheid worden onderzocht, ook niet indien de betrokken regels uit de US Cogsa inhoudelijk gelijk zouden zijn aan regels van Nederlands recht, zoals de onderdelen tot uitgangspunt nemen. Hierop stuiten de hiervoor in 3.2.2 weergegeven klachten af. 3.2.4 Onderdeel 3.3 klaagt dat het hof zijn oordeel in rov. 2.12 onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd door het beroep dat Airgas heeft gedaan op art. 1304(3) US Cogsa niet (kenbaar) in zijn beoordeling te betrekken, terwijl dit wel tot de conclusie kan leiden dat art. 20 cognossementsvoorwaarden nietig is.

Deze motiveringsklacht laat zich niet beoordelen zonder daarbij ook de juistheid van het oordeel van het hof omtrent de inhoud en de uitleg van de US Cogsa te betrekken, hetgeen meebrengt dat ook deze klacht afstuit op art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO. 3.3 De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO). 3.4 Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling. 4Beslissing De Hoge Raad: - verwerpt het principale beroep; - veroordeelt Airgas in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van UAL begroot op € 873,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Airgas deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.E. du Perron, als voorzitter, F.J.P. Lock, F.R. Salomons, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 7 november 2025. Rechtbank Rotterdam 25 januari 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:953. Gerechtshof Den Haag 5 december 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2780. United States Carriage of Goods by Sea Act. Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I), PbEU 2008, L 177/6.

Vgl. HR 28 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR3645, rov. 3.5.2; HR 4 april 1986, ECLI:NL:HR:1986:AB8727, rov. 3.2; HR 19 januari 1968, ECLI:NL:HR:1968:AB5254.