ECLI:NL:HR:2025:159 · Hoge Raad
Legislator summary
AI generatedHOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 22/04430 B Datum 11 februari 2025 BESCHIKKING op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 12 september 2022, nummer RK 22/001379, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door [klaagster] , geboren op [geboortedatum] 1982, hierna: de klaagster.
Legislator headnote
AI generatedartikel 552a van het Wetboek van Strafvordering; ECLI:NL:HR:2025:159 · Hoge Raad: HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 22/04430 B Datum 11 februari 2025 BESCHIKKING op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 12 september 2022, nummer RK 22/001379, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door [klaagster] , geboren op [geboortedatum] 1982, hierna: de klaagster.
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedFull text
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 22/04430 B Datum 11 februari 2025 BESCHIKKING op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 12 september 2022, nummer RK 22/001379, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door [klaagster] , geboren op [geboortedatum] 1982, hierna: de klaagster.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft J. Zevenboom, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd dat de klaagster nietont-vankelijk wordt verklaard in haar cassatieberoep. 2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep De Hoge Raad kan het cassatieberoep van de klaagster niet in behandeling nemen. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal. 3Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2025.