Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2025:1502 ECLI:NL:HR:2025:1502 AI generated

ECLI:NL:HR:2025:1502 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2025:1502
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/01039 Datum 14 oktober 2025 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 8 maart 2024, nummer 20-000942-23, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991, hierna: de verdachte.

Legislator headnote

AI generated

artikel 361a van het Wetboek van Strafvordering, artikel 6:6:1 Sv; ECLI:NL:HR:2025:1502 · Hoge Raad: Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat H.M.W. Daamen bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd. 2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep Het cassatieberoep is ontvankelijk. Daaraan staat - om de redenen die in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2 zijn vermeld - niet in de weg dat in (de nu geldende tekst van) artikel 361a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) een verwijzing ontbreekt naar de beslissing die wordt genomen op een vordering als bedoeld in artikel 6:6:1 Sv.

Keywords

AI generated
artikel 361a van het Wetboek van Strafvordering artikel 6:6:1 Sv

Cited Legislation

AI generated
artikel 361a van het Wetboek van Strafvordering
Daaraan staat - om de redenen die in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2 zijn vermeld - niet in de weg dat in (de nu geldende tekst van) artikel 361a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) een verwijzing ontbreekt naar de beslissing die wordt genomen op een vordering als bedoeld in artikel 6:6:1 Sv.
artikel 6:6:1 Sv
Daaraan staat - om de redenen die in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2 zijn vermeld - niet in de weg dat in (de nu geldende tekst van) artikel 361a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) een verwijzing ontbreekt naar de beslissing die wordt genomen op een vordering als bedoeld in artikel 6:6:1 Sv.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/01039 Datum 14 oktober 2025 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 8 maart 2024, nummer 20-000942-23, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991, hierna: de verdachte.

1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat H.M.W. Daamen bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd. 2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep Het cassatieberoep is ontvankelijk. Daaraan staat - om de redenen die in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2 zijn vermeld - niet in de weg dat in (de nu geldende tekst van) artikel 361a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) een verwijzing ontbreekt naar de beslissing die wordt genomen op een vordering als bedoeld in artikel 6:6:1 Sv.

3Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 4Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadshgeren C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 oktober 2025.