Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2025:128 ECLI:NL:HR:2025:128 AI generated

ECLI:NL:HR:2025:128 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2025:128
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/03771 H Datum 28 januari 2025 ARREST op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 juli 2024, nummer 02-152712-23, ingediend door E.M.A. Leijser, advocaat in Tilburg, namens [aanvrager], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, hierna: de aanvrager.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2025:128 · Hoge Raad: De politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft de aanvrager veroordeeld voor 1. mishandeling en 2. overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 tot onder meer een taakstraf van 20 uren en een geheel voorwaardelijke taakstraf van 20 uren. Verder heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] gedeeltelijk toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/03771 H Datum 28 januari 2025 ARREST op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 juli 2024, nummer 02-152712-23, ingediend door E.M.A. Leijser, advocaat in Tilburg, namens [aanvrager], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, hierna: de aanvrager.

1De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft de aanvrager veroordeeld voor 1. mishandeling en 2. overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 tot onder meer een taakstraf van 20 uren en een geheel voorwaardelijke taakstraf van 20 uren. Verder heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] gedeeltelijk toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

2De aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 3Beoordeling van de aanvraag 3.1 Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, volgens artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) alleen dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat, als dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling. 3.2 In de aanvraag wordt aangevoerd dat de politierechter de vordering van de benadeelde partij zou hebben afgewezen dan wel de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk zou hebben verklaard als de politierechter ermee bekend was geweest dat de verzekeraar van de aanvrager de schade, die aan het voertuig van het slachtoffer is ontstaan als gevolg van de door de politierechter bewezenverklaarde verkeersovertreding, geheel heeft vergoed.

Ook als wordt uitgegaan van de juistheid van deze stelling, kan dit niet leiden tot een van de in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv genoemde beslissingen, zoals vermeld onder 3.1. Tot die beslissingen behoort immers niet de afwijzing van of de niet-ontvankelijkverklaring in de vordering van de benadeelde partij. 3.3 De aanvraag bevat verder niets dat kan worden aangemerkt als een beroep op een gegeven als onder 3.1 is omschreven. Het gevolg daarvan is – gelet op artikel 460 lid 2 en 465 lid 1 Sv – dat de Hoge Raad het verzoek niet in behandeling kan nemen. 4Beslissing De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 januari 2025.