Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2025:1200 ECLI:NL:HR:2025:1200 AI generated

ECLI:NL:HR:2025:1200 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2025:1200
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN VIERDE KAMER Nummer 25/02071 Datum 18 juli 2025 BESLISSING in de zaak van [verzoeker] te [plaats] (hierna: verzoeker) betreffende het door verzoeker ingediende verzoek tot wraking van hierna te noemen leden van de Hoge Raad. 1De procedure 1.1. Verzoeker heeft beroep in cassatie ingesteld in de zaak die bij de belastingkamer van de Hoge Raad is ingeschreven onder nummer 24/04767. Bij bericht van 28 mei 2025 is aan verzoeker meegedeeld dat op 6 juni 2025 in de hiervoor genoemde zaak uitspraak zal worden gedaan. Tevens is daarbij meegedeeld dat de beslissing wordt genomen door de leden van de Hoge Raad J.A.R. van Eijsden, M.T.

Legislator headnote

AI generated

art. 8:15 Awb; ECLI:NL:HR:2025:1200 · Hoge Raad: Bij een op 26 juni 2025 ingediende brief heeft verzoeker wraking verzocht van die leden van de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft dat verzoek buiten behandeling gesteld en bepaald dat een volgend wrakingsverzoek in de zaak met nummer 24/04767 of in de zaak met nummer 25/02071 niet in behandeling zal worden genomen. 1.4. Op 7 juli 2025 heeft de mondelinge behandeling van het hiervoor in 1.2 genoemde wrakingsverzoek plaatsgevonden. Tijdens deze mondelinge behandeling heeft verzoeker het verzoek toegelicht aan de hand van een pleitnota. De advocaat-generaal W.L.

Keywords

AI generated
art. 8:15 Awb

Cited Legislation

AI generated
art. 8:15 Awb
Op grond van art. 8:15 Awb kan elk van de rechters die een zaak behandelen, door een partij worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2025:1076
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN VIERDE KAMER Nummer 25/02333 Datum 30 juni 2025 BESLISSING in de zaak van [verzoeker] te [plaats] (hierna: verzoeker) betreffende het door verzoeker ingediende verzoek om wraking van de hierna te noemen leden van de Hoge Raad. 1De procedure 1.1 Verzoeker heeft beroep in cassatie ingesteld in de zaak die bij de belastingkamer van de Hoge Raad is ingeschreven onder nummer 24/04767. Bij bericht van 28 mei 2025 is aan verzoeker meegedeeld dat op 6 juni 2025 in de hiervoor genoemde zaak uitspraak zal worden gedaan. Tevens is daarbij meegedeeld dat de beslissing wordt genomen door de leden van de Hoge Raad J.A.R. van Eijsden, M.T.
ECLI:NL:HR:2018:1770
25 september 2018 Strafkamer nr.
ECLI:NL:HR:2025:87
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 24/02772 Datum 17 januari 2025 BESCHIKKING op een vordering tot cassatie in het belang der wet, ingesteld door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden en gericht tegen de beschikking in de zaak C2023/1813 van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg van 6 december 2023. 1Procesverloop Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C2023/1813 van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg van 6 december 2023.
ECLI:NL:HR:2024:481
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN VIERDE KAMER Nummer 24/00663 Datum 22 maart 2024 BESLISSING in de zaak van [verzoeker] te [plaats] (hierna: verzoeker) betreffende het door verzoeker ingediende verzoek om wraking van de hierna te noemen leden van de Hoge Raad. 1De procedure 1.1 Verzoeker heeft beroep in cassatie ingesteld in de zaak die bij de belastingkamer van de Hoge Raad is ingeschreven onder nummer 22/00557. Bij bericht van 8 februari 2024 is aan verzoeker meegedeeld dat op 16 februari 2024 in de hiervoor genoemde zaak uitspraak zal worden gedaan en dat de beslissing wordt genomen door de leden van de Hoge Raad M.E. van Hilten, E.N. Punt, M.A.
ECLI:NL:HR:2024:292
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN VIERDE KAMER Nummer 23/04771 Datum 1 maart 2024 BESLISSING in de zaak van [verzoeker] te [plaats] (hierna: verzoeker) betreffende het door verzoeker ingediende verzoek om wraking van het hierna in 1.3 te noemen lid van de Hoge Raad. 1De procedure 1.1 Verzoeker heeft beroep in cassatie ingesteld in de zaak die bij de belastingkamer van de Hoge Raad is ingeschreven onder nummer 23/01826. Bij bericht van 30 november 2023 is aan verzoeker meegedeeld dat op 8 december 2023 in de hiervoor genoemde zaak uitspraak zal worden gedaan en dat de beslissing wordt genomen door de leden van de Hoge Raad M.W.C.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN VIERDE KAMER Nummer 25/02071 Datum 18 juli 2025 BESLISSING in de zaak van [verzoeker] te [plaats] (hierna: verzoeker) betreffende het door verzoeker ingediende verzoek tot wraking van hierna te noemen leden van de Hoge Raad. 1De procedure 1.1. Verzoeker heeft beroep in cassatie ingesteld in de zaak die bij de belastingkamer van de Hoge Raad is ingeschreven onder nummer 24/04767. Bij bericht van 28 mei 2025 is aan verzoeker meegedeeld dat op 6 juni 2025 in de hiervoor genoemde zaak uitspraak zal worden gedaan. Tevens is daarbij meegedeeld dat de beslissing wordt genomen door de leden van de Hoge Raad J.A.R. van Eijsden, M.T.

Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk. 1.2. Bij een op 5 juni 2025 ingediende brief heeft verzoeker de wraking verzocht van de hiervoor in 1.1 vermelde leden van de Hoge Raad. Deze leden hebben meegedeeld dat zij niet in de wraking berusten en dat zij afzien van de mogelijkheid te worden gehoord. 1.3. Bij brief van 11 juni 2025 is verzoeker uitgenodigd om zijn wrakingsverzoek mondeling toe te lichten tijdens een zitting van de vierde kamer van de Hoge Raad. In die brief is tevens meegedeeld welke leden van de Hoge Raad het wrakingsverzoek behandelen.

Bij een op 26 juni 2025 ingediende brief heeft verzoeker wraking verzocht van die leden van de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft dat verzoek buiten behandeling gesteld en bepaald dat een volgend wrakingsverzoek in de zaak met nummer 24/04767 of in de zaak met nummer 25/02071 niet in behandeling zal worden genomen. 1.4. Op 7 juli 2025 heeft de mondelinge behandeling van het hiervoor in 1.2 genoemde wrakingsverzoek plaatsgevonden. Tijdens deze mondelinge behandeling heeft verzoeker het verzoek toegelicht aan de hand van een pleitnota. De advocaat-generaal W.L.

Valk heeft ter zitting desgevraagd meegedeeld af te zien van een conclusie. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt. 2Beoordeling van het wrakingsverzoek 2.1. Op grond van art. 8:15 Awb kan elk van de rechters die een zaak behandelen, door een partij worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Ingevolge art. 29 AWR is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op de behandeling van het beroep in cassatie in belastingzaken. 2.2. Bij de beoordeling van het wrakingsverzoek moet worden vooropgesteld dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. 2.3.

Verzoeker legt aan zijn wrakingsverzoek onder meer ten grondslag dat hij geen afschrift heeft ontvangen van het verweerschrift dat door de verweerder in de hoofdzaak is ingediend. Als gevolg daarvan heeft hij niet op het processtuk van de verweerder kunnen reageren en daardoor is hij in zijn recht op wederhoor beperkt, aldus verzoeker. Verder stelt verzoeker ten onrechte niet in de gelegenheid te zijn gesteld om zijn cassatieberoep mondeling toe te lichten. 2.4. Deze door verzoeker aan de orde gestelde procedurele bezwaren rechtvaardigen niet de conclusie dat de raadsheren tegen wie het wrakingsverzoek is gericht, ten aanzien van hem vooringenomen zijn en evenmin dat daarvoor een objectief gerechtvaardigde vrees bestaat. 2.5.

Verzoeker legt verder aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag dat de raadsheren tegen wie het wrakingsverzoek is gericht, onvoldoende distantie zouden hebben om het beroep in cassatie te kunnen behandelen en beoordelen. Verzoeker verwijst daarvoor naar functies die de betrokken raadsheren hebben uitgeoefend. De door verzoeker genoemde omstandigheden betreffen functies die de raadsheren in het (verre) verleden hebben uitgeoefend en rechtvaardigen niet de daaruit door verzoeker getrokken conclusie dat zij ten aanzien van hem vooringenomen zijn en evenmin dat daarvoor een objectief gerechtvaardigde vrees bestaat. 2.6.

Daarnaast vermeldt verzoeker dat één van de raadsheren tegen wie het wrakingsverzoek is gericht, eerder uitspraak heeft gedaan in een door hem ingesteld beroep in cassatie. Het enkele feit dat een rechter eerder een beslissing heeft gegeven ten aanzien van een procespartij brengt niet mee dat deze rechter jegens deze procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. 2.7. Ook de overige door de verzoeker aangevoerde gronden rechtvaardigen die conclusie niet. Het wrakingsverzoek is dus ongegrond en zal daarom worden afgewezen. 3Beslissing De Hoge Raad wijst het verzoek tot wraking van J.A.R. van Eijsden, M.T.

Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk af. Deze beslissing is gegeven door de vicepresident V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek en F.J.P. Lock, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.W.E. Schaap, en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2025. HR 30 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:1076. Zie o.m. HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1770, rov. 4.2.1 en HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:87, rov. 3.4. Vgl. HR 22 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:481, rov. 2.5. HR 1 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:292, rov. 2.3.