Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2025:1176 ECLI:NL:HR:2025:1176 AI generated

ECLI:NL:HR:2025:1176 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2025:1176
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/01257 Datum 18 juli 2025 ARREST in de zaak van de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN tegen [X] (hierna: belanghebbende) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 21 februari 2024, nr. BK-23/501, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 22/3006) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2018 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente. 1Geding in cassatie 1.1 De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2025:1176 · Hoge Raad: In zoverre kunnen de klachten niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, Wet op de rechterlijke organisatie). 4.2.1 Het middel is verder gericht tegen het hiervoor in 3.2 weergegeven oordeel van het Hof. Het middel betoogt terecht dat de op rechtsherstel gerichte compensatie dient aan te sluiten bij het werkelijke rendement, en dat daarvoor ook rekening moet worden gehouden met ongerealiseerde waardeveranderingen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2021:1963
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 21/01243 Datum 24 december 2021 ARREST in de zaak van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 10 februari 2021, nrs. AWB 20/3028 en 20/3029, betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2017 en 2018 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
ECLI:NL:HR:2024:705
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 23/00653 Datum 6 juni 2024 ARREST in de zaak van de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN tegen [X1] (hierna: belanghebbende) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 januari 2023, nr. BK-ARN 20/01121, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van Rechtbank Gelderland (nr. AWB 20/2486) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2018 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
ECLI:NL:HR:2024:860
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 23/02894 Datum 14 juni 2024 ARREST in de zaak van de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN tegen [X] (hierna: belanghebbende) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 juli 2023, nr. BK-ARN 21/00569, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van Rechtbank Gelderland (nr. AWB 19/2329) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2017 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. 1Geding in cassatie De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. De belanghebbende, vertegenwoordigd door C. Overduin en J.A. Mook, heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld. De Staatsecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht. Belanghebbende heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend. De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 9 februari 2024 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie en het incidentele beroep in cassatie. Zowel de Staatssecretaris als belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd. 2Uitgangspunten in cassatie 2.1 Belanghebbende heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2017 een rendementsgrondslag in box 3 aangegeven van € 1.113.200. De rendementsgrondslag bestaat uit de volgende bezittingen: - bank- en spaartegoeden in Nederland € 43.803 - bank- en spaartegoeden buiten Nederland € 121.237 - onroerend goed in Nederland € 198.160 - onroerend goed in Frankrijk € 800.000 ---------------- + € 1.163.200 2.2 De Inspecteur heeft op basis van deze opgave van bezittingen en met inachtneming van een heffingvrij vermogen van tweemaal € 25.000 het belastbare inkomen uit sparen en beleggen vastgesteld op € 51.003. Dit belastbare inkomen is aan belanghebbende toegerekend. De daarover verschuldigde belasting bedraagt € 15.300. Met betrekking tot het onroerend goed in Frankrijk heeft de Inspecteur ter voorkoming van dubbele belasting een vermindering verleend van € 10.996. Aldus is in de aanslag IB/PVV over het jaar 2017 (hierna: de aanslag) een bedrag van € 4.304 aan belasting in box 3 begrepen. 2.3 Vervolgens heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende tegen de in de aanslag begrepen belasting in box 3 ongegrond verklaard. Rechtsherstel naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 (hierna: het arrest van 24 december 2021) is volgens de Inspecteur niet aan de orde, omdat het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, berekend volgens het Besluit rechtsherstel box 3, € 51.881 bedraagt, dus meer dan waarvan de Inspecteur bij het opleggen van de aanslag is uitgegaan. 3Procedure voor het Hof 3.1 Voor het Hof was primair in geschil of bij de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen op grond van artikel 14 EVRM en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: EP) van het werkelijke rendement moet worden uitgegaan. Voorts was in geschil of de Inspecteur een te lage vermindering ter voorkoming van dubbele belasting met betrekking tot het onroerend goed in Frankrijk heeft verleend. 3.2 Het Hof heeft geoordeeld dat op grond van het arrest van 24 december 2021 aan belanghebbende een op rechtsherstel gerichte compensatie moet worden geboden voor zover hij door het forfaitaire stelsel van box 3 wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijke rendement. Een zodanige op rechtsherstel gerichte compensatie wordt naar het oordeel van het Hof niet geboden door de Wet rechtsherstel box 3 (hierna: de Herstelwet). 3.3 Voorts heeft het Hof geoordeeld dat tot het werkelijke rendement alleen behoren de feitelijk genoten rente, dividend, huur, royalty’s en mogelijke andere vormen van directe, gerealiseerde vermogensopbrengsten. Het werkelijke rendement dat belanghebbende in 2017 heeft behaald bedraagt volgens het Hof € 11.709 en bestaat uit: - € 464 rente op de bank- en spaartegoeden in en buiten Nederland; - € 15.000 huurinkomsten uit het onroerend goed in Nederland, verminderd met € 1.955 kosten VVE en € 1.800 beheervergoeding, per saldo derhalve € 11.245; - € 0 inkomsten uit het onroerend goed in Frankrijk, omdat slechts sprake is van eigen gebruik en de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is geweest van verhuur. 3.4 Bij de bepaling van het werkelijke rendement heeft het Hof geen rekening gehouden met een ongerealiseerde waardestijging in 2017 van het onroerend goed in Nederland van € 16.380. Naar het oordeel van het Hof passen dergelijke vermogenswinsten niet binnen het begrip “werkelijk” behaald rendement. 3.5 Bij de bepaling van het werkelijke rendement heeft het Hof ook geen rekening gehouden met door belanghebbende ter zake van het onroerend goed in Frankrijk gemaakte kosten van in totaal € 8.914 (€ 2.947 kosten VVE, € 3.499 Franse bewonersbelasting, € 1.515 Franse eigenarenbelasting en € 953 premie voor een opstalverzekering). Omdat het werkelijke rendement uit het onroerend goed in Frankrijk € 0 bedraagt, heeft het Hof geen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verleend. 3.6 Het Hof heeft de belasting in box 3 over het werkelijke rendement berekend op € 3.512. Daarbij heeft het Hof het heffingvrije vermogen niet in aanmerking genomen. 4. Beoordeling van de in het principale en het incidentele beroep in cassatie aangevoerde klachten 4.1.1 Het middel van het principale beroep van de Staatssecretaris richt zich in de eerste plaats tegen het hiervoor in 3.1 weergegeven oordeel van het Hof dat aan belanghebbende rechtsherstel moet worden geboden door uit te gaan van het werkelijke rendement. Het middel betoogt dat het aan de wetgever is om te voorzien in het rechtstekort dat met een schending van het EVRM en het EP gepaard gaat, en dat de wetgever dat in overeenstemming met de eisen van het EVRM heeft gedaan met de invoering van de Herstelwet. Het Hof diende volgens het middel de door de wetgever gemaakte keuze te respecteren, tenzij die evident van elke redelijke grond is ontbloot. De regeling in de Herstelwet kan deze toets volgens het middel doorstaan. Daaraan doet volgens het middel niet af dat in een individueel geval, zoals hier, de nieuwe berekening niet leidt tot een vermindering van de aanslag in de inkomstenbelasting. 4.1.2 Het middel faalt voor zover het betoogt dat het aan de wetgever is en niet aan de rechter om te voorzien in het rechtstekort dat gepaard gaat met een schending van het EVRM en het EP als gevolg van het stelsel van heffing in box 3. De Hoge Raad verwijst naar hetgeen is overwogen in onderdeel 5.5 van zijn op 6 juni 2024 uitgesproken arrest in de zaak met nummer 23/00653, ECLI:NL:HR:2024:705 (hierna: het arrest van 6 juni 2024). 4.2 Voorts betoogt het middel dat het Hof bij de bepaling van het werkelijke rendement ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de hiervoor in 3.4 weergeven ongerealiseerde waardestijging van het onroerend goed in Nederland. Het middel slaagt in zoverre. De Hoge Raad verwijst naar hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 5.4.8 van het arrest van 6 juni 2024. 4.3 In zijn incidentele beroep in cassatie klaagt belanghebbende erover dat het Hof, zoals hiervoor in 3.6 weergegeven, bij de berekening van de belasting in box 3 over het werkelijke rendement geen rekening heeft gehouden met heffingvrij vermogen. De klaagt faalt. De Hoge Raad verwijst naar hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 5.4.2 van het arrest van 6 juni 2024. 4.4.1 Ten slotte klagen zowel de Staatssecretaris als belanghebbende erover dat het Hof het werkelijke rendement uit het onroerend goed in Frankrijk onjuist heeft bepaald. 4.4.2 Belanghebbende doelt hierbij in het bijzonder op de omstandigheid, zoals hiervoor in 3.5 is weergegeven, dat het Hof heeft geoordeeld dat bij de bepaling van het werkelijke rendement geen kosten ter zake van het onroerend goed in Frankrijk in aanmerking kunnen worden genomen. Deze klacht faalt, gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 5.4.9 van het arrest van 6 juni 2024. 4.4.3 Voorts betogen zowel de Staatssecretaris als belanghebbende dat het Hof ten onrechte het voordeel ter zake van het eigen gebruik van het onroerend goed in Frankrijk op € 0 heeft gesteld. Zowel de Staatssecretaris als belanghebbende heeft bij deze klacht geen belang. Voor een eventueel in aanmerking te nemen voordeel wegens eigen gebruik van het onroerend goed in Frankrijk wordt op grond van artikel 24, onderdeel A, lid 2, van het Nederlands-Franse belastingverdrag een vermindering van belasting in box 3 verleend die hetzelfde resultaat oplevert als in de situatie waarin dat voordeel op € 0 zou worden gesteld. Vanwege het vaste tarief van 30% van de box-3-belasting heeft het in artikel 24, onderdeel A, lid 2, van het Nederlands-Franse belastingverdrag voorziene progressievoorbehoud immers geen effect op de berekening van de verschuldigde belasting. Ook volgt uit de gedingstukken niet dat de Staatssecretaris of belanghebbende anderszins een belang heeft bij het eventueel in aanmerking nemen van een voordeel wegens eigen gebruik. 5Slotsom 5.1 De slotsom is dat het principale beroep in cassatie gegrond is en het incidentele beroep in cassatie ongegrond. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen. 5.2 Uit de gedingstukken volgt dat belanghebbende € 464 rente op de bank- en spaartegoeden heeft ontvangen en dat de waardestijging in 2017 van het onroerend goed in Nederland € 16.380 bedraagt. Verder is in cassatie niet bestreden dat de inkomsten uit dat onroerend goed € 11.245 bedragen. Het werkelijke rendement moet daarom worden gesteld op € 28.089. De Hoge Raad is hierbij, in overeenstemming met de uitspraak van het Hof, ervan uitgegaan dat geen werkelijk rendement is genoten op het onroerend goed in Frankrijk. Het oordeel van het Hof dat dit rendement € 0 bedraagt, wordt zoals hiervoor in 4.4.3 is overwogen, in cassatie immers bij gebrek aan belang tevergeefs bestreden. De Hoge Raad zal de aanslag in overeenstemming hiermee nader vaststellen. 6Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 7Beslissing De Hoge Raad: - verklaart het principale beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond, - verklaart het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond, - vernietigt de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend voor zover het de vermindering van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2017 en het verzamelinkomen betreft, - vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een inkomen uit sparen en beleggen van € 28.089, onder handhaving van de overige elementen van de aanslag, en - vermindert het verzamelinkomen dienovereenkomstig. Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel, M.T. Boerlage, P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2024. ECLI:NL:GHARL:2023:5574. ECLI:NL:PHR:2024:138, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2024:1. Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 28 juni 2022, nr. 2022-176296, Stcrt. 2022, 17063. Wet van 21 december 2022, Stb. 2022, 533. Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Frankrijk tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen van 16 maart 1973, Trb. 1973, 83.
ECLI:NL:GHDHA:2024:316
Nederland is bevoegd bij het vaststellen van de door zijn inwoners verschuldigde belasting in de grondslag waarnaar de belasting wordt geheven, de bestanddelen van het inkomen of van het vermogen te begrijpen die overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst in Frankrijk mogen worden belast.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/01257 Datum 18 juli 2025 ARREST in de zaak van de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN tegen [X] (hierna: belanghebbende) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 21 februari 2024, nr. BK-23/501, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 22/3006) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2018 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente. 1Geding in cassatie 1.1 De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.

Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 1.2 In deze zaak heeft belanghebbende per aangetekende brief een verweerschrift ingediend waarin tevens een incidenteel beroep in cassatie is opgenomen. Het stuk is opgesteld door een beroepsmatig optredende rechtsbijstandverlener. Artikel 1 van het Besluit van 6 maart 2019, Staatsblad 2020, 99, brengt mee dat een beroepsmatig optredende rechtsbijstandverlener verplicht is digitaal te procederen. In deze zaak had het stuk dus digitaal, via het webportaal van de Hoge Raad, moeten worden ingediend.

De griffier van de Hoge Raad heeft de indiener bij aangetekend verzonden brief verzocht dit stuk binnen vier weken via het webportaal van de Hoge Raad in te dienen. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door de indiener opgegeven adres. De indiener heeft geen gevolg gegeven aan het verzoek. Daarom zal de Hoge Raad met toepassing van artikel 8:36a, lid 5, Awb geen acht slaan op het verweerschrift en het incidentele beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren. 2Uitgangspunten in cassatie 2.1 De Inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2018 opgelegd naar – onder meer – een forfaitair bepaald belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (hierna: inkomen in box 3) van € 44.054. 2.2 Belanghebbende heeft in 2018 op zijn bezittingen in box 3 rente- en dividendinkomsten genoten van € 20.763,90 (€ 649,90 rente en € 20.114 dividend). 2.3 Tot het vermogen van belanghebbende in box 3 behoren onder meer bank- en spaartegoeden, aandelen en obligaties en een tweede woning in Frankrijk (hierna: de woning).

3De oordelen van het

Hof 3.1 Voor het Hof was in geschil of het inkomen in box 3 juist is vastgesteld. Tussen partijen was niet in geschil dat de Wet rechtsherstel box 3 (hierna: de Herstelwet) niet leidt tot een vermindering van de aanslag, aangezien het inkomen in box 3 met toepassing van de Herstelwet € 103.054 zou bedragen. Dat is hoger dan het inkomen in box 3 waarvan is uitgegaan bij het vaststellen van de aanslag. 3.2 Het Hof heeft geoordeeld dat uit het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 volgt dat de heffing van box 3 op stelselniveau in strijd is met artikel 14 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna:

EVRM) in combinatie met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: EP), indien de heffing naar het voordeel uit sparen en beleggen hoger is dan het werkelijk behaalde rendement, dat hiervoor een op rechtsherstel gerichte compensatie dient te worden geboden, dat die compensatie in beginsel dient aan te sluiten bij het werkelijk behaalde rendement, en dat niet meer behoort te worden belast dan de feitelijk genoten rente, dividend, huur, royalty’s en mogelijk andere vormen van direct gerealiseerde vermogensopbrengst. Ongerealiseerde vermogenswinsten passen naar het oordeel van het Hof niet onder het werkelijk behaald rendement en deze dienen daarom bij de bepaling van de op rechtsherstel gerichte compensatie buiten beschouwing te worden gelaten. 3.3 Het Hof heeft vastgesteld dat de woning niet wordt verhuurd en heeft daarom bij het bepalen van het door belanghebbende behaalde rendement daarvoor geen inkomen in aanmerking genomen.

Het Hof heeft de aanslag verminderd uitgaande van het hiervoor in 2.2 genoemde bedrag aan rente- en dividendinkomsten als inkomen in box 3, met handhaving van de overige elementen van de aanslag. 4Beoordeling van het middel 4.1 Het middel richt zich in de eerste plaats tegen de oordelen van het Hof voor zover die inhouden dat aan belanghebbende rechtsherstel moet worden geboden op basis van het werkelijke rendement en dat de aanslag daartoe moet worden verminderd. Het middel betoogt daartoe in de eerste plaats dat het aan de wetgever is, en niet aan de rechter, om te voorzien in het rechtstekort dat gepaard gaat met een schending van het EVRM en het EP als gevolg van het stelsel van heffing van inkomstenbelasting in box 3.

In zoverre kunnen de klachten niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, Wet op de rechterlijke organisatie). 4.2.1 Het middel is verder gericht tegen het hiervoor in 3.2 weergegeven oordeel van het Hof. Het middel betoogt terecht dat de op rechtsherstel gerichte compensatie dient aan te sluiten bij het werkelijke rendement, en dat daarvoor ook rekening moet worden gehouden met ongerealiseerde waardeveranderingen.

De Hoge Raad verwijst naar hetgeen is overwogen in zijn arrest van 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:705, rechtsoverweging 5.4.8. Tot cassatie kan dit echter niet leiden. De klachten kunnen namelijk niet tot een voor de Staatssecretaris gunstiger resultaat leiden, gelet op het volgende. 4.2.2 Het werkelijke rendement van de in Frankrijk gelegen woning dient buiten beschouwing te blijven, gelet op hetgeen is overwogen in het arrest van de Hoge Raad van14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:860, rechtsoverweging 4.4.3. 4.2.3 Met betrekking tot de waardeveranderingen van de beleggingen is van belang dat belanghebbende in zijn beroepschrift in hoger beroep heeft gesteld dat hij daarmee een waardedaling heeft behaald en de stukken van het geding geen andere slotsom toestaan dan dat de Inspecteur dit niet, althans onvoldoende heeft weersproken.

Als het Hof met die waardeveranderingen rekening had gehouden, zou dat dus niet hebben geleid tot een aanslag naar een hoger bedrag dan waarvan het Hof is uitgegaan. 5Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 6Beslissing De Hoge Raad: - verklaart het principale beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond, en - verklaart het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.T. Boerlage als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F.

Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2025. Van de Staatssecretaris van Financiën wordt voor de behandeling van het beroep in cassatie een griffierecht geheven. ECLI:NL:GHDHA:2024:316. Besluit van 6 maart 2019, houdende vaststelling van het tijdstip van gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet van 13 juli 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht (Stb. 2016, 288), de Invoeringswet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht, het Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht en het Aanpassingsbesluit vereenvoudiging en digitalisering procesrecht (Inwerkingtredingsbesluit digitaal procederen in bestuursrechtelijke cassatieprocedures).

Wet van 21 december 2022, Stb. 2022, 533.