Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2025:1145 ECLI:NL:HR:2025:1145 AI generated

ECLI:NL:HR:2025:1145 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2025:1145
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 23/02818 Datum 11 juli 2025 ARREST in de zaak van de fiscale eenheid [X] C.S. (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 25 mei 2023, nrs. 21/00394 tot en met 21/00403, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 20/1217, HAA 20/1218, en HAA 20/1220 tot en met HAA 20/1227) betreffende aan belanghebbende over elk van de jaren 2014, 2015, 2016, 2017 en 2018 opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting, en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente, en de door belanghebbende op aangifte over tijdvakken in het jaar 2019 voldane bedragen aan omzetbelasting onderscheidenlijk op tijdvakken van dat jaar betrekking hebbende beschikkingen inzake teruggaaf van omzetbelasting.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2025:1145 · Hoge Raad: Belanghebbende, vertegenwoordigd door W.A.P Nieuwenhuizen, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

Cited Case Law

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 23/02818 Datum 11 juli 2025 ARREST in de zaak van de fiscale eenheid [X] C.S. (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 25 mei 2023, nrs. 21/00394 tot en met 21/00403, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 20/1217, HAA 20/1218, en HAA 20/1220 tot en met HAA 20/1227) betreffende aan belanghebbende over elk van de jaren 2014, 2015, 2016, 2017 en 2018 opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting, en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente, en de door belanghebbende op aangifte over tijdvakken in het jaar 2019 voldane bedragen aan omzetbelasting onderscheidenlijk op tijdvakken van dat jaar betrekking hebbende beschikkingen inzake teruggaaf van omzetbelasting.

1Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door W.A.P Nieuwenhuizen, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

2Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 4Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2025. ECLI:NL:GHAMS:2023:1500.