Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2025:111 ECLI:NL:HR:2025:111 AI generated

ECLI:NL:HR:2025:111 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2025:111
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/00263 Datum 24 januari 2025 ARREST in de zaak van de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN tegen [X] (hierna: belanghebbende) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 28 november 2023, nrs. 23/323 en 23/324, betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikkingen tot aansprakelijkstelling voor de van [A] B.V. en [B] B.V. nageheven loonheffingen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2025:111 · Hoge Raad: Zij komen erop neer dat de verjaringstermijn op grond van artikel 27, lid 2, IW 1990 is verlengd als gevolg van het aan belanghebbende als aansprakelijkgestelde verleende uitstel van betaling. 5.2 De klachten falen op de gronden vermeld in onderdeel 7.14 van de conclusie van de Advocaat-Generaal. De tekst van, noch de toelichting op artikel 27, lid 2, IW 1990 biedt voldoende aanknopingspunten voor de door het middel verdedigde andersluidende opvatting. Een dergelijke opvatting zou ook in strijd zijn met het accessoire karakter van de aansprakelijkheidsschuld en het ontbreken van een zelfstandige verjaringstermijn voor die schuld.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2023:563
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 20/02401 Datum 14 april 2023 ARREST in de zaak van de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN tegen [X] te [Z], België, (hierna: belanghebbende) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 19 juni 2020, nrs. BK-19/00784 en BK-19/00785, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 19/2679 en SGR 19/2681) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikkingen tot aansprakelijkstelling voor van [A] B.V. en [B] B.V. nageheven loonheffingen.
ECLI:NL:GHAMS:2023:2936
GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerken 23/323 en 23/324 28 november 2023 uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep – na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden – van [X] , wonende te [Z] , België, belanghebbende, (gemachtigde: mr. F.A. Piek) tegen de uitspraak van 5 november 2019 in de zaak met kenmerken SGR 19/2679 en 19/2681 van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De ontvanger heeft bij beschikkingen belanghebbende aansprakelijk gesteld voor onbetaald gebleven naheffingsaanslagen loonheffingen over de tijdvakken september, oktober en november 2013 van [A B.V.] . en [B B.V.] . 1.2.
ECLI:NL:GHDHA:2020:1208
Bij het cassatieberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd.
ECLI:NL:PHR:2024:936
Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2025. Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 559. ECLI:NL:GHAMS:2023:2936. ECLI:NL:GHDHA:2020:1208. ECLI:NL:PHR:2024:936. Vgl. HR 4 november 1959, ECLI:NL:HR:1959:174. Kamerstukken II 2007/08, 31 124, nr. 9, blz. 11.
ECLI:NL:HR:1959:174
No. 97 HOGE RAAD (Derde Kamer), 4 Nov. 1959. (Mrs. Smits, Boltjes, van der Loos, Teken- broek en Korthals Altes). [X] , te [Z] , eiser tot cassatie van een door het Gerechtshof te Arnhem op 14 Jan. 1959 tussen partijen gewezen arrest, adv. Mr. L. D. Pels Rijcken, tegen: den Ontvanger der directe belastingen te [Z] , thans zijnde [P] , te [Z] , verweerder in cassatie, adv. Mr. D. J. Veegens. De Hoge Raad, enz .; O. dat uit het bestreden arrest blijkt: dat op 16 Jan. 1956 aan eiser tot cassatie - verder ook [X] te noemen - een dwangbevel is betekend, dat tegen hem was uitgevaardigd door verweerder in cassatie - verder ook wel de Ontvanger te noemen; dat dit dwangbevel van 13 Jan. 1956 ten doel had de invordering van een som van f 14.418,88, zijnde het nog openstaande bedrag van den aan wijlen [A] op 30 Juni 1948 opgelegden voorlopigen aanslag in de vermogensaanwasbelasting groot f 32.319; dat voor dezen aanslag [X] ingevolge art. 51 der Wet op de vermogensaanwasbelasting als bij schenking bevoordeelde aansprakelijk werd gesteld en de omvang dezer aansprakelijkheid bij beschikking van den Inspecteur der Belastingen van 9 Jan. 1956 ingevolge art. 54 der wet werd vastgesteld op f 23.575; dat [X] tegen dit dwangbevel in verzet is gekomen op grond dat deze belasting is verjaard ingevolge art. 11 der Wet op de invordering van 's Rijks directe belastingen van 22 Mei 1845 doordien meer dan drie jaren zijn verstreken sedert 30 Juni 1948, den dag waarop een aanslag aan [A] werd opgelegd, - zijnde de dag waarop de aansprakelijkheid van [X] een aanvang nam - zonder dat de Ontvanger ten aanzien van hem, [X] , tot invordering overging; dat hij mitsdien vorderde, dat hij goed opposant tegen dit dwangbevel zou worden verklaard en dat dit buiten werking zou worden gesteld; dat het verweer van den Ontvanger hierop neerkwam, dat de mede-aansprakelijkheid van [X] voor den aanslag eerst is ontstaan door de boven vermelde beschikking van den Inspecteur, dat het recht op invordering van den aanslag tegenover de boedelgerechtigden van [A] nog niet was verjaard en dat mitsdien de betalingsverplichting van [X] nog niet is verjaard; dat de ontvanger op deze gronden concludeerde dat [X] kwaad opposant zou worden verklaard; dat de Rechtbank zich noch met het standpunt van [X] noch met dat van den Ontvanger verenigde, doch overwoog, kort samengevat, dat een verjaring begint te lopen van den dag af, dat de rechtsvordering, dat is de bevoegdheid om de naleving der verbintenis in rechte te vorderen, geboren is; dat dit tijdstip voor [X] viel op den dag, waarop de Inspecteur een beschikking ingevolge artikel 54 der Wet op de vermogensaanwasbelasting gaf, zijnde 18 October 1951, den dag waarop de eerste desbetreffende beschikking werd gegeven en wel met betrekking tot den definitieven aanslag; dat alleen deze tot maatstaf voor den aanvang der verjaring kan dienen, omdat slechts sprake is van één belastingschuld van wijlen [A], voor welke [X] aansprakelijk is; dat niet aanvaardbaar is, dat een Inspecteur door herhaaldelijk en telkens onder een ander kohiernummer een beschikking ingevolge art. 54 voornoemd te geven met betrekking tot één belastingschuld, de verjaringsregel tot een dode letter zou kunnen maken; dat niet van belang is, of tegen den belastingschuldige zelf het verschuldigde slechts invorderbaar is op den voorlopigen aanslag en niet op den definitieven, daar het niet gaat om invordering van den belastingschuldige zelf, doch van degene, die als begiftigde aansprakelijk is voor het ingevolge art. 54 door den Inspecteur vastgestelde bedrag; dat de belasting was verjaard toen de fiscus binnen het tijdsbestek van 3 jaar na 18 Oct. 1951 geen daad van vervolging tegen [X] stelde; dat de Rechtbank op deze gronden [X] goed opposant verklaarde en het dwangbevel buiten werking stelde;

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/00263 Datum 24 januari 2025 ARREST in de zaak van de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN tegen [X] (hierna: belanghebbende) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 28 november 2023, nrs. 23/323 en 23/324, betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikkingen tot aansprakelijkstelling voor de van [A] B.V. en [B] B.V. nageheven loonheffingen.

1Het eerste geding in cassatie

Bij arrest van 14 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:563, heeft de Hoge Raad de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 19 juni 2020, nrs. BK-19/00784 en BK-19/00785, vernietigd met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Amsterdam (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

2Het tweede geding in cassatie

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De belanghebbende, vertegenwoordigd door F.A. Piek, heeft een verweerschrift ingediend. De Advocaat-Generaal R.J. Koopman heeft op 13 september 2024 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd. 3Uitgangspunten in cassatie 3.1 Belanghebbende is aansprakelijk gesteld voor loonheffingen die zijn nageheven van twee besloten vennootschappen. Die vennootschappen zijn in 2016 opgehouden te bestaan. 3.2 Bij een aantal aan belanghebbende gerichte brieven, die zijn vermeld in onderdeel 2.2.3 van de uitspraak van het Hof, heeft de Ontvanger vervolgens uitstel van betaling verleend.

4De oordelen van het

Hof 4.1.1 Voor het Hof was in geschil of de hiervoor in 3.2 bedoelde brieven hebben geleid tot verlenging van de in artikel 4:104, lid 1, Awb bedoelde termijn voor verjaring van de rechtsvordering tot betaling van de naheffingsaanslagen. 4.1.2 Voor het geval die verlenging van de verjaringstermijn niet heeft plaatsgevonden, is tussen partijen niet in geschil dat deze termijn met betrekking tot alle betrokken naheffingsaanslagen is verstreken. Verder is tussen partijen – terecht – niet in geschil dat een dergelijke verjaring tot gevolg heeft dat de aan de belastingschuld accessoire aansprakelijkstelling van belanghebbende niet in stand kan blijven. 4.2 Het Hof heeft – in cassatie onbestreden – vastgesteld dat bij de hiervoor in 3.2 bedoelde brieven uitsluitend uitstel van betaling op de voet van artikel 53, lid 2, van de Invorderingswet 1990 (hierna:

IW 1990) aan belanghebbende is verleend voor de bedragen van de aansprakelijkstelling en dat daarbij niet tevens betalingsuitstel is verleend voor de naheffingsaanslagen waarop die aansprakelijkstelling betrekking heeft. 4.3 Het Hof is van oordeel dat het op verzoek verlenen van uitstel van betaling aan een aansprakelijkgestelde voor het bedrag aan belasting waarvoor hij aansprakelijk is gesteld, niet tot gevolg heeft dat de verjaring van de rechtsvordering tot betaling van die belastingschuld in zoverre wordt gestuit, ook niet indien de belastingschuldige is opgehouden te bestaan.

De tekst en de strekking van artikel 27, lid 2, IW 1990 leiden volgens het Hof niet tot een andere uitkomst. In dat artikellid is namelijk uitsluitend bepaald aan wie een stuitings- of verlengingshandeling gericht kan worden ter voorkoming van de verjaring van de belastingschuld. Artikel 27, lid 2, IW 1990 beoogt enkel te voorkomen dat de belastingschuld van een failliet tijdens een aansprakelijkheidsprocedure verjaart doordat de verjaring niet meer op de gebruikelijke manier door een mededeling aan de belastingschuldige kan worden gestuit, aldus het Hof. 4.4 Het Hof is daarom tot de slotsom gekomen dat het recht op dwanginvordering van de belastingschulden is verjaard, zodat de aansprakelijkstelling dient te vervallen. 5Beoordeling van het middel 5.1 De klachten van het middel zijn gericht tegen de hiervoor in 4.3 en 4.4 weergegeven oordelen van het Hof.

Zij komen erop neer dat de verjaringstermijn op grond van artikel 27, lid 2, IW 1990 is verlengd als gevolg van het aan belanghebbende als aansprakelijkgestelde verleende uitstel van betaling. 5.2 De klachten falen op de gronden vermeld in onderdeel 7.14 van de conclusie van de Advocaat-Generaal. De tekst van, noch de toelichting op artikel 27, lid 2, IW 1990 biedt voldoende aanknopingspunten voor de door het middel verdedigde andersluidende opvatting. Een dergelijke opvatting zou ook in strijd zijn met het accessoire karakter van de aansprakelijkheidsschuld en het ontbreken van een zelfstandige verjaringstermijn voor die schuld.

Uit de parlementaire toelichting op artikel 27, lid 2, IW 1990 blijkt juist dat de aansprakelijkgestelde op grond van die bepaling slechts voor de belastingschuldige in de plaats treedt voor zover het gaat om de stuiting van de verjaring of de verlenging van de verjaringstermijn “van de belastingschuld”. Het aan een aansprakelijkgestelde op de voet van artikel 53, lid 2, IW 1990 verleende uitstel van betaling heeft geen betrekking op die belastingschuld maar op de aansprakelijkheidsschuld, en is daarom niet van invloed op de verjaringstermijn van de belastingschuld.

De bestreden oordelen van het Hof zijn daarom juist. 6Proceskosten De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. 7Beslissing De Hoge Raad: - verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en - veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 2.721 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F.

Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2025. Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 559. ECLI:NL:GHAMS:2023:2936. ECLI:NL:GHDHA:2020:1208. ECLI:NL:PHR:2024:936. Vgl. HR 4 november 1959, ECLI:NL:HR:1959:174. Kamerstukken II 2007/08, 31 124, nr. 9, blz. 11.