Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2025:1102 ECLI:NL:HR:2025:1102 AI generated

ECLI:NL:HR:2025:1102 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2025:1102
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/02490 Datum 8 juli 2025 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 24 juni 2024, nummer 23-001229-22, in de strafzaak tegen [D] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] , hierna: de verdachte. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat W. de Vries bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal P.J. Wattel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd. 2Bespreking van de cassatiemiddelen 2.1 De cassatiemiddelen zijn identiek aan de cassatiemiddelen die zijn ingediend in de zaak tegen [medeverdachte] , die is veroordeeld voor het feitelijk leidinggeven aan de in deze zaak tegen de verdachte bewezenverklaarde feiten. 2.2 De cassatiemiddelen falen om de redenen die staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in die zaak met nummer 24/02491 (ECLI:NL:HR:2025:1103). 3Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juli 2025.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2025:1102 · Hoge Raad: Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat W. de Vries bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal P.J. Wattel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd. 2Bespreking van de cassatiemiddelen 2.1 De cassatiemiddelen zijn identiek aan de cassatiemiddelen die zijn ingediend in de zaak tegen [medeverdachte] , die is veroordeeld voor het feitelijk leidinggeven aan de in deze zaak tegen de verdachte bewezenverklaarde feiten. 2.2 De cassatiemiddelen falen om de redenen die staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in die zaak met nummer 24/02491 (ECLI:NL:HR:2025:1103). 3Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juli 2025.

Cited Case Law

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/02490 Datum 8 juli 2025 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 24 juni 2024, nummer 23-001229-22, in de strafzaak tegen [D] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] , hierna: de verdachte.

1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat W. de Vries bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal P.J. Wattel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd. 2Bespreking van de cassatiemiddelen 2.1 De cassatiemiddelen zijn identiek aan de cassatiemiddelen die zijn ingediend in de zaak tegen [medeverdachte] , die is veroordeeld voor het feitelijk leidinggeven aan de in deze zaak tegen de verdachte bewezenverklaarde feiten. 2.2 De cassatiemiddelen falen om de redenen die staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in die zaak met nummer 24/02491 (ECLI:NL:HR:2025:1103). 3Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juli 2025.