ECLI:NL:HR:2024:997 · Hoge Raad
Legislator summary
AI generatedHOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 22/04809 Datum 9 juli 2024 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 december 2022, nummer 23-002128-21, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999, hierna: de verdachte.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:HR:2024:997 · Hoge Raad: HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 22/04809 Datum 9 juli 2024 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 december 2022, nummer 23-002128-21, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999, hierna: de verdachte.
Full text
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 22/04809 Datum 9 juli 2024 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 december 2022, nummer 23-002128-21, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999, hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M. Kuipers, advocaat in Arnhem, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en tot verwerping van het beroep voor het overige. De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd. 2Beoordeling van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt dat het hof het verweer dat niet kan worden bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld niet of onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen. 2.2 Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie.
De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal. 3Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 42 maanden. 4Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf; - vermindert deze in die zin dat deze veertig maanden beloopt; - verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juli 2024.