Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2024:981 ECLI:NL:HR:2024:981 AI generated

ECLI:NL:HR:2024:981 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2024:981
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 23/04948 Datum 28 juni 2024 ARREST op het door [X] (hierna: belanghebbende), vertegenwoordigd door A. van Velsen, ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 3 november 2023, nr. 22/6313 V op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 30 maart 2023. 1Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie 1.1 De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 8 februari 2024 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2024:981 · Hoge Raad: Van de plaatsing van het hiervoor vermelde bericht in dit digitale dossier is eveneens op 11 maart 2024 een kennisgeving verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven emailadres. Die termijn eindigde op 8 april 2024. 1.4 Op 22 april 2024 heeft de Hoge Raad via het webportaal een brief van belanghebbende ontvangen. Aangezien die brief na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend, laat de Hoge Raad dit stuk buiten beschouwing. 1.5 Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk worden verklaard. 2Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 3Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 23/04948 Datum 28 juni 2024 ARREST op het door [X] (hierna: belanghebbende), vertegenwoordigd door A. van Velsen, ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 3 november 2023, nr. 22/6313 V op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 30 maart 2023. 1Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie 1.1 De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 8 februari 2024 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld.

Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres. Het griffierecht is niet binnen de gestelde termijn voldaan. 1.2 Bij een op 11 maart 2024 per post ontvangen brief heeft belanghebbende ter zake van betaling van het verschuldigde griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan. Aangezien het griffierecht inmiddels is voldaan, wordt het beroep op betalingsonmacht niet in behandeling genomen. 1.3 De griffier van de Hoge Raad heeft op 11 maart 2024 een bericht in het digitale dossier van belanghebbende geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid is gesteld binnen vier weken mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald.

Van de plaatsing van het hiervoor vermelde bericht in dit digitale dossier is eveneens op 11 maart 2024 een kennisgeving verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven emailadres. Die termijn eindigde op 8 april 2024. 1.4 Op 22 april 2024 heeft de Hoge Raad via het webportaal een brief van belanghebbende ontvangen. Aangezien die brief na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend, laat de Hoge Raad dit stuk buiten beschouwing. 1.5 Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk worden verklaard. 2Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 3Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2024. Het door belanghebbende na het verstrijken van de termijn als griffierecht betaalde bedrag van € 136 wordt door de griffier van de Hoge Raad aan belanghebbende terugbetaald.